Wie waren Filistijnen?

​

Kanaänieten als Filistijnen opgevoerd

​

Als de chronologie van Rohl juist zou zijn, zou dat ingrijpende gevolgen hebben voor de geschiedenis van de Filistijnse steden. De nieuwe chronologie zou ook als gevolg hebben dat de archeologische tijdvakken verschuiven en veel later gedateerd worden. Laat Brons duurde volgens Rohl van 1220 tot 820 v. C. in plaats van 1470-1180 v. C..

​

Bij opgravingen in de Filistijnse steden Askelon, Asdod en Ekron werd in Laat Brons lagen uitsluitend Kanaänitisch aardewerk gevonden en geen enkele scherf Filistijns aardewerk. Aan het eind van Laat Brons werden de drie genoemde Filistijnse steden verwoest, in ca. 1180 v. C.. Volgens de nieuwe chronologie vond dat plaats in 820 v. C..

​

Volgens vrijwel alle archeologen en historici probeerden de Filistijnen in het 8e jaar van Ramses III, in 1177 v. C., Egypte binnen te vallen, maar werden ze in het noordoosten van de delta verslagen door het Egyptische leger. De slag is in levendige taferelen afgebeeld op muren van de tempel van Medinet Haboe, ten westen van Luxor.

​

De meest gangbare opvatting is dat de Filistijnen zich na verslagen te zijn vestigden in de steden Askelon, Asdod, Ekron en Gaza. In lagen die dateren van direct na de verwoesting van de Kanaänitische steden werd Myceens IIIC aardewerk gevonden. De meest gebruikelijke verklaring is dat dit aardewerk werd gemaakt door kleine groepen die behoorden tot de Zeevolken en die al in het zuidwesten van Palestina aankwamen voor de grote golf van Filistijnen die in 1175 v. C. kwam. In lagen die dateren uit de tijd van Ramses III is veel Myceens IIIC:1b aardewerk gevonden.

​

Finkelstein gaat overigens uit van een latere datering van de vestiging van de Filistijnen in het zuidwesten van Palestina, namelijk in 1135 v. C. (zie BGA VI, 1999, 3). Volgens Porter woonden er tijdens Laat Brons al Filistijnen in Asdod en Askelon en kwamen de Peleset die tegen Ramses III streden in ca. 840 v. C..

​

Feit is dat aan het eind van Laat Brons (ca. 1200 v. C.) Asdod en Askelon verwoest werden. In de laag die direct in tijd volgt op de verwoestingslaag, werd monochroom Myceens IIIC:1b aardewerk gevonden. Dit werd door Filistijnse immigranten afkomstig uit het Egesche gebied vervaardigd van lokale klei. Na korte tijd (ca. 1150 v. C.) kwam het Filistijns bichroom (tweekleurig) aardewerk in gebruik, dat een vermenging van Kanaänitische, Egyptische en Myceense tradities te zien gaf.

​

De Filistijnen die zich in het 8e jaar van Ramses III vestigden in Askelon en Ekron bouwden nieuwe, goed georganiseerde Filistijnse steden op de ruïnes van de verwoeste Kanaänitische Laat Brons steden met een totaal andere cultuur dan de vroegere Kanaänitische steden. De nieuwkomers gingen Myceens IIIC:1b aardewerk vervaardigen.

​

Myceens IIIC:1b aardewerk is ook veel gevonden op Cyprus in nederzettingen die kennelijk gebouwd waren door invallers van buiten het eiland. Zeer waarschijnlijk waren dat mensen die behoorden tot de Zeevolken. Ze verwoestten vaak Laat Brons steden en herbouwden ze daarna weer.

​

Het uit Griekenland geïmporteerde Myceens IIIB aardewerk blijkt op te houden aan het eind van Laat Brons. Daarna volgt direct het monochrome Myceens IIIC:1b aardewerk, dat kenmerkend is voor de kort ervoor aangekomen Filistijnen. Opmerkelijk is dat dit aardewerk niet is aangetroffen in Timna (Tel Batash). In de gebruikelijke chronologie wordt aangenomen dat de Filistijnen zich in het zuidwesten van Palestina vestigden in ca. 1175 v. C..

​

Ook uit een Egyptische afbeelding blijkt dat er kort na ca. 1200 v. C. een geheel nieuwe cultuur kwam in de Filistijnse steden. In een afbeelding op een muur in de tempel van Amon in Karnak, aangebracht tijdens farao Merenptah in ca. 1210 v. C., zijn de bewoners van de stad Askelon afgebeeld als Kanaänieten.

​

De bewoners van Askelon werden namelijk op dezelfde wijze afgebeeld als de bewoners van de steden Gezer en Yenoam tijdens de veldtocht van Merenptah. In de gebruikelijke chronologie past de afbeelding van Askelon en de tekst over de verovering van die stad door Merenptah precies. Niet lang na de verovering van Askelon vestigden zich daar Filistijnen. De nieuwe chronologie heeft ten aanzien van Askelon te maken met een onoplosbaar probleem. Als deze chronologie juist zou zijn, zou Askelon nog een Kanaänitische stad zijn tot ca. 850 v. C.. Porter noemt de duidelijk als Kanaänitisch afgebeelde inwoners van Askelon ook Filistijnen en neemt aan dat in ca. 840 v. C. de Peleset na verslagen te zijn door Ramses II, zich in Askelon vestigden en zich met de oorspronkelijke bevolking vermengden.

​

Hoe verklaart Porter de verwoestingslaag aan het eind van Laat Brons als volgens hem de Peleset zich na ca. 830 v. C. op vreedzame wijze vermengden met de oorspronkelijke bevolking? De overgang van Laat Brons naar IJzer I verliep bepaald niet zonder geweld, getuige de dikke verwoestingslaag aan het einde van Laat Brons in Askelon en in Asdod.

​

Timna pas laat Israëlitisch?

​

In verschillende steden buiten het Filistijnse kerngebied, zoals Timna, Gezer en Tel Qasile, ontbreekt ieder spoor van Myceens IIIC:1b aardewerk, dat gemaakt werd door de pas gearriveerde Peleset, kort na het eind van Laat Brons.

​

In de gebruikelijke chronologie zijn de archeologische gegevens volledig in overeenstemming met die uit de Bijbel. Pas na uitbreiding van het Filistijnse gebied vestigden zich namelijk Filistijnen in Timna, waar dus alleen bichroom Filistijns aardewerk vervaardigd werd, dat van na 1150 v. C. dateert. In de tijd van Simson (ca. 1080 v. C.) was Timna een Filistijnse stad (Richt. 14). Uit opgegraven Israëlitisch aardewerk en een inscriptie met Hebreeuws schrift, bleek dat Timna in IJzer II (laag IV) een Israëlitische stad was, vanaf ca. 1000 v. C., toen de stad door David veroverd werd. In ca. 925 v. C. werd Timna verwoest, kennelijk door farao Sisak. Daarna bleef Timna onbewoond tot ca. 760 v. C. toen koning Uzzia (Azarja) van Juda Timna liet herbouwen (laag III, IJzer II). Uzzia veroverde het gebied rond de steden Gath, Jabne en Asdod (2 Kron. 26:6). Er zijn scherven van kruiken met op het handvat de 'lmlk' inscriptie. Deze kruiken werden in haast gemaakt toen een Assyrische inval dreigde tijdens koning Hizkia (727-698 v. C.).

​

Als de nieuwe chronologie juist zou zijn, zou na de nederlaag van de Peleset tegen Ramses III een nieuwe Filistijnse cultuur ontstaan zijn in bestaande Filistijnse steden, als gevolg van de aankomst van nieuwe immigranten en ging de bevolking daarna Myceens IIIC:1b aardewerk maken. Waarom ontbreekt dat aardewerk dan in Timna, dat toch al in de tijd van Simson Filistijns was? Laag VII dateert uit Laag Brons IIA, de tijd die volgens Rohl de tijd was van Amenhotep III, Amenhtep IV en Horemheb en ook de tijd van Simson.

​

Laag VI zou dan een Filistijnse laag met Laat Brons aardewerk zijn. Daarna zouden de Peleset, de nieuwe immigranten gekomen zijn. In Timna is daarvan echter geen spoor te bekennen, pas in laag V is Filistijns aardwerk gevonden. In de nieuwe chronologie zou Timna tijdens laag IV, na ca. 700 v. C., een Isralitische stad geworden zijn. Daarna is Timna minstens een eeuw onbewoond. In laag III, in de nieuwe chronologie zeker na 500 v. C. zijn de kruiken gevonden die kenmerkend zijn voor de tijd van Hizkia, die regeerde tot ca. 698 v. C..

​

Het artikel van Porter getuigt van een ernstig gebrek aan kennis van de resultaten van het archeologisch onderzoek in een aantal Filistijnse steden. Het artikel van Porter is een nieuw bewijs dat de chronologie van Rohl onhoudbaar is.

​

J.G. van der Land

​

Laatste update: 16  april 2019