Waar lag het Gibea van Saul?

 

Waar lag Gibea, de woonplaats van koning Saul? Sinds de opgravingen onder leiding van W.F. Albright op de heuvel Tell el-Ful, 5 km ten noorden van Jeruzalem, namen de meeste geleerden aan dat deze heuvel de plaats was van het Gibea van Saul. Volgens sommigen lag daar ook het Gibea waar in de tijd van de richteren de schanddaad plaatsvond die leidde tot de strijd tegen de Benjaminieten (Richteren 19 en 20). Volgens anderen was het huidige dorp Jeba, dat ca. 5 km ten noorden van Tell el-Ful ligt, ten zuiden van de wadi Soeweinit, de plaats van Gibea uit de tijd van de richteren. In Richteren 20:33 wordt deze plaats Geba genoemd.

 

Verdedigd wordt ook dat Jeba zowel de plaats was van het Gibea waar Saul zetelde als van het Gibea uit de tijd van de richteren. Tenslotte wordt ook de omgeving van de stad Gibeon genoemd als woonplaats van Saul.

 

Vergelijking van teksten in het Oude Testament waarin Gibea, Geba of Gibeon genoemd worden, kan tot een oplossing leiden van de vragen die samenhangen met de vraag waar Gibea lag. Ook de resultaten van archeologisch onderzoek moeten hierbij betrokken worden.

 

Heuvel

 

De plaatsnamen Gibea, Geba en Gibeon zijn afgeleid van een Hebreeuws woord dat heuvel betekent. In enkele teksten is de plaatsnaam Gibeon door overschrijvers verward met Gibea of Geba. In 2 Samuël 5:25, 2 Samuël 21:6 en 2 Kronieken 13:2 staat in de Masoretentekst (MT) Geba of Gibea, terwijl de Septuagintvertaling Gibeon heeft.

 

In 2 Samuël 5:25 staat in de MT dat David de Filistijnen versloeg "van Geba af tot bij Gezer". De Septuagint heeft hier "van Gibeon tot het land van Gezer". Gezien de geografische situatie moet Gibeon juist zijn, zoals ook blijkt uit de paralleltekst 1 Kronieken 14:16 waar ook in de MT Gibeon staat.

 

In 2 Samuël 21:6 staat in de MT dat zeven afstammelingen van Saul werden opgehangen in het "Gibea van Saul". De Septuagint heeft hier "Gibeon van Saul". De Gibeonieten hingen de zeven mannen op "voor het aangezicht van de Here op de berg" (2 Sam. 21:9). Het meest waarschijnlijk is dat daarmee de heuvel bij Gibeon, waar de tabernakel stond, bedoeld wordt.

 

In 2 Kronieken 13:2 wordt de plaats genoemd waar de moeder van koning Abia vandaan kwam. Volgens de MT kwam zij uit Gibea, volgens de Septuagint uit Gibeon. In dit geval is niet uit te maken wat de juiste weergave van de oorspronkelijke tekst is.

 

Waar lag Gibea?

 

Gibea was in de tijd van de richteren een bekende stad in het gebied van Benjamin. In Gibea werd de bijvrouw van een Leviet, die in die stad overnachtte, verkracht en gedood (Richteren 19).

 

P.M. Arnold toont in zijn boek 'Gibeah. The search for a Biblical City' aan dat Gibea en Geba varianten zijn van dezelfde plaatsnaam.1 In Richteren 20:33 heet de stad Geba en elders in Richteren 19 en 20 Gibea. De Israëlieten deden twee maal een aanval op Gibea, waar de Benjaminieten zich ophielden, en leden zware verliezen. De derde keer legden de Israëlieten een hinderlaag bij Gibea. De overige Israëlieten lokten de Benjaminieten uit de stad. Daarna deden de soldaten die in de hinderlaag lagen een aanval op Gibea.

 

Vanuit Tell el-Ful heeft men een goed uitzicht op de omgeving. Er was daar geen gelegenheid om in een hinderlaag ongezien te blijven. De wadi Soeweinit, een diepe kloof die het gebied van Benjamin scheidde van het gebied van Efraïm, bood goede mogelijkheden om soldaten in een hinderlaag te leggen waarvandaan men gemakkelijk een verrassingsaanval op Gibea kon doen.2

De ligging van Gibea blijkt ook uit 1 Samuël 14 waar Sauls overwinning op de Filistijnen beschreven wordt. In de NBG-vertaling staat in 1 Samuël 14:2: "Saul nu zat aan de grens van Gibea onder de granaatappelboom te Migron. En het krijgsvolk dat bij hem was, telde ongeveer 600 man".

 

Granaatappelboom is niet de juiste vertaling. Bedoeld wordt de zogenaamde granaatappel-rots, waaronder zich een spelonk bevindt die tegenwoordig 'el-Jaia' genoemd wordt. Daarin is plaats voor minstens 600 mannen. Deze spelonk bevindt zich 2 km ten oosten van het huidige dorp Jeba in de zuidelijke helling van de wadi Soeweinit. Met Migron wordt de wadi Soeweinit bedoeld. Migron is afgeleid van een woord dat voortstorten betekent en was waarschijnlijk de oude Hebreeuwse naam voor de wadi Soeweinit.3

 

Gibea lag ten zuiden van de wadi tegenover het 2 km noordelijker gelegen Michmas waar de Filistijnen gelegerd waren (1 Sam. 13:16; 1 Sam. 14:5). Jonathan en zijn wapendrager klommen tegen de steile rotswand op. Ze overvielen een wachtpost van de Filistijnen aan de rand van de kloof en doodden ongeveer 20 man. Dat leidde tot grote verwarring in het legerkamp van de Filistijnen. De uitkijkposten van Saul in Gibea zagen dat en meldden het aan Saul (1 Sam. 14:16).

 

Saul kan zich dus niet met zijn mannen in Tell el-Ful bevonden hebben. Op een afstand van 7 km was niet te zien geweest dat er grote verwarring heerste in het Filistijnse legerkamp bij Michmas. Vanuit Jeba is Michmas goed te zien. Saul hield zich schuil in de grote spelonk bij Gibea (Jeba), terwijl in 1 Samuël 13:16 staat dat Saul zich met zijn soldaten bij Geba bevond. De namen Geba en Gibea worden dus gebruikt voor dezelfde plaats.4

 

Gibea of Geba, genoemd in Richteren 20, 1 Samuël 13:16 en 1 Samuël 14:2 en 5, moet dus gelegen hebben op de plaats van het huidige Jeba tegenover Michmas. Dat sluit niet uit dat er nog een ander Gibea was waar Saul zijn zetel had.

Opgravingen onderzoek in Tell el-Ful

 

De Amerikaanse archeoloog W.F. Albright leidde in 1922/1923 en in 1933 opgravingen in Tell el-Ful, een heuvel die 5 km ten noorden van de oude stad Jeruzalem ligt. De heuvel steekt ca. 30 meter boven de omgeving uit.

 

In publicaties over de eerste opgravingen in Tell el-Ful meldde Albright dat hij fundamenten opgegraven had van een vesting die dateerde uit 13e of de 12e eeuw v. C.. Het zou gaan om overblijfsels van Gibea uit de tijd van de richteren, onder andere een verbrandingslaag. Dat de stad Gibea in brand gestoken werd, blijkt uit Richteren 20:40.5

 

Na de opgravingen van 1933 was het enige wat overbleef van het Gibea uit de tijd van de richteren een klein stenen bouwsel, enige scherven van voorraadkruiken uit die tijd en mogelijk een verbrande laag.

Reconstructietekening van de twee vestigingen

 

Er werden in een tweede laag in Tell el-Ful funderingen gevonden van een toren die volgens Albright de zuidwestelijke toren was van een vesting uit de tijd van Saul. Albright publiceerde een schetstekening van de veronderstelde vesting en beweerde dat in Tell el-Ful kasemat-muren gevonden waren.

 

Albright maakte bekend dat hij het Gibea van Saul gevonden had. Dat veroorzaakte een opwinding die, als gevolg van de stelligheid waarmee de resultaten gepubliceerd werden, bijna 40 jaar lang kritisch en nauwkeurig onderzoek verhinderde.6

 

H.J. Franken constateerde in 1963 dat het in Tell el-Ful opgegraven archeologisch bewijsmateriaal onvoldoende was voor een identificatie van die plaats met Gibea.7 Er bleken daar slechts enkele fragmentarische overblijfselen van muren van huizen gevonden te zijn en enig aardewerk verspreid over een oppervlakte van ca. 15 vierkante meter. Mogelijk stond op de heuvel Tell el-Ful in de tijd van de richteren een groot huis of bestond er een kleine nederzetting, maar er was geen sprake van een stad.

 

Uit Richteren 19 blijkt dat Gibea in de tijd van de richteren zeker de omvang had van een gemiddelde stad in het heuvelland met enige honderden inwoners. Voor zo'n stad was er geen ruimte op de top van de steile heuvel Tell el-Ful, die 150 bij 90 meter beslaat.8

 

Nieuwe conclusies

 

De publicatie van een rapport over de opgravingen in 1964 in Tell el-Ful onder leiding van P. Lapp leidde tot een evenwichtiger visie op de vondsten. Tijdens deze opgravingen werden geen verdere overblijfselen van de veronderstelde vesting van Saul gevonden. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat de opgegraven muren niet van het kasemattype waren. In een rapport over deze opgravingen wordt geconcludeerd dat ieder bewijs van andere torens ontbreekt en dat het bestaan van een vesting slechts een hypothese is.

 

In hetzelfde rapport staat echter ook dat in Tell el-Ful archeologisch bewijsmateriaal van een vesting gevonden is. In het rapport is een reconstructietekening opgenomen van een vesting die zelfs groter was dan die Albright voorstelde. Het ontbreken van bewijsmateriaal daarvoor wordt toegeschreven aan opruimingswerkzaamheden in verband met een later bouwwerk.9

 

Volgens Lapp dateren de fundamenten van de toren van tussen 1025 en 950 v. C.. Ze kunnen dus ook uit de tijd van David en Salomo stammen. De toren kan in de tijd van Saul gebouwd zijn, maar dat bewijst niet dat daar het Gibea uit de tijd van Saul lag. De schamele vondsten uit de 11e eeuw v. C. in Tell el-Ful maken dat zeer onwaarschijnlijk. Er kan sprake zijn van een wachttoren uit de tijd van Saul, maar het is waarschijnlijker dat het gaat om een wachttoren ter verdediging van Jeruzalem uit de tijd van David.10

 

Geba

 

Als Tell-el Ful de plaats van Gibea zou zijn, moet er ook in de negende eeuw v. C. een stad gelegen hebben. De stad Geba werd in ca. 885 v. C. in opdracht van koning Asa (912-870 v. C.) versterkt.

 

Volgens Albright dateerden overblijfselen van een vesting in laag 3 uit de tijd van Asa. Tijdens de opgravingen van Lapp werd echter vastgesteld dat deze fundamenten dateerden uit de periode 650-586 v. C.. In de negende eeuw v. C. was Tell el-Ful onbewoond, terwijl Geba in die tijd een versterkte stad was. De profeet Hosea, die optrad in de tweede helft van de achtste eeuw v. C., profeteerde over Gibea (Hos. 5:8). Ook in deze tijd was de plaats onbewoond.11

 

Het Gibea van Saul

 

Arnold gaat ervan uit dat het Gibea uit de tijd van de richteren, het Gibea van Saul en het Gibea/Geba uit de negende en de achtste eeuw v. C. steeds dezelfde plaats betrof. Uit 1 Koningen 15:16-23 blijkt dat het Geba uit de tijd van Asa aan de noordgrens van het koninkrijk Juda lag. Nadat koning Baësa zich had teruggetrokken uit het noordelijk deel van het koninkrijk Juda, maakte koning Asa de wadi Soeweinit, een natuurlijke grens, weer tot de noordgrens van Juda. Hij liet de steden Mizpa en Geba versterken (1 Kon. 15:22). Beide liggen vlak ten zuiden van de genoemde wadi. Arnold concludeert daaruit dat Geba uit de tijd van Asa lag op de plaats van het huidige Jeba.

 

Volgens Arnold was Jeba ook de plaats van het Gibea van Saul. Boden uit de stad Jabes kwamen naar Gibea, waar Saul woonde, met een verzoek om hulp (1 Sam. 11:4). Arnold erkent dat Saul uit de omgeving van Gibeon afkomstig was, maar hij veronderstelt dat Saul later naar Gibea (Jeba) verhuisd was. Het verhaal over de veldtocht naar Jabes moet volgens hem later in de geschiedenis van Saul geplaatst worden. Saul zou Jabes pas te hulp gekomen zijn na zijn overwinning op de Filistijnen waarmee hij het grootste deel van het gebied van Benjamin onder zijn gezag bracht. Eerder zou Saul niet een veldtocht naar het Oost-Jordaanse Jabes hebben kunnen maken, omdat hij zijn gebied dan blootgesteld had aan een aanval in de rug door de Filistijnen.12

 

Er is geen reden om het verhaal over de veldtocht naar Jabes later in de regering van Saul te plaatsen. Saul was aan het werk op zijn akker toen de boden uit Jabes naar Gibea kwamen. Die gebeurtenis vond kennelijk plaats kort na zijn aanwijzing als leider van de Israëlieten, want toen de boden uit Jabes naar Gibea kwamen, was hij zijn land aan het ploegen. Het is niet aannemelijk dat Saul verhuisde naar Gibea (Jeba) en daar nog jaren zijn akker bleef bewerken. Bovendien was Gibea al de woonplaats van Saul voordat hij werd aangewezen als leider van de Israëlieten. Saul ging na afloop van de bijeenkomst in Mizpa "naar zijn huis in Gibea" (1 Sam. 10:26). Saul verhuisde dus niet later naar Gibea.

 

Saul was afkomstig uit de omgeving van de stad Gibeon. Zijn gebeente werd begraven in het graf van zijn vader Kis, in Zelah (2 Sam. 21:14). Zelah lag zeer waarschijnlijk op de plaats van het huidige Khirbet es-Salah, ca. 3 km ten zuidoosten van Gibeon en ruim een km ten zuidoosten van de heuvel Nebi Samwil bij Gibeon.13 Uit het geslachtsregister van Saul in 1 Kronieken 8 blijkt de verbondenheid van de familie van Saul met Gibeon (1 Kron. 8:29).

 

De zoektocht van Saul

 

Ook uit het verhaal in 1 Samuël 9 en 10 over Sauls tocht op zoek naar de weggelopen ezelinnen van zijn vader wordt duidelijk dat Saul afkomstig was uit de omgeving van Gibeon en dat daar het Gibea van Saul gezocht moet worden.

 

Tijdens zijn zoektocht trokken Saul en zijn knecht door enkele landschappen in het zuiden van het gebied van Efraïm.14 Eerst zocht hij in Salisa. In dat gebied zal de stad Baäl-Salisa gelegen hebben. Een man uit die stad kwam met broden, gebakken van de eerste gersteoogst, naar Gilgal, in het Jordaandal (2 Kon. 4:42). Het landschap Salisa zal dicht bij Gilgal, in het zuid-oosten van het gebied van Efraïm, gelegen hebben. Vervolgens trok Saul naar Sahalim dat ten westen van Salisa gelegen moet hebben. Daarna kwam hij in het landschap Yimni. De meeste vertalingen hebben in plaats van Yimni: "het gebied van Benjamin". In de grondtekst staat echter Yimni. Dat het een gebied in het zuiden van Efraïm was, blijkt uit het feit dat Saul daarna in het Efraïmitisch gebied Zuf kwam.

 

Saul wilde toen naar huis terugkeren, maar zijn knecht wees in de richting van een stad waar een ziener woonde en stelde voor hem te raadplegen. Uit het vervolg blijkt dat de profeet Samuël bedoeld wordt die in Ramathaïm woonde. Deze stad lag in het landschap Zuf, in zuiden van het gebied van Efraïm.15

 

Ramathaïm, woonplaats van Samuël

 

Elkana, de vader van Samuël, woonde in Ramathaïm (1 Sam. 1:1). De toevoeging 'Zofim' is het gevolg van een overschrijffout. Een betere vertaling van 1 Samuël 1:1 is: "Er was een man uit Ramathaïm, een Zufiet, uit het gebergte van Efraïm".16 Ramathaïm betekent "twee heuvels'. Op één heuvel lag de stad en op de andere heuvel had Samuël een altaar gebouwd. Ramathaïm wordt geïdentificeerd met Beit-Rima (19 km ten noorden van Beitin) of met Khirbet Raddana, ten westen van het huidige Ramalla.17

 

In het eerste boek van Samuël wordt Ramathaïm verder steeds Rama genoemd. Elkana, de vader van Samuël, ging terug naar zijn huis in Rama (1 Sam. 1:19 en 2:11). Daar werd Samuël geboren en groeide hij op. Er is geen reden om aan te nemen dat in volgende hoofdstukken waar Rama als woonplaats van Samuël vermeld wordt (1 Sam. 7:17, 8:4 enz.) Rama in het gebied van Benjamin bedoeld wordt. Samuël kreeg een openbaring dat een man "uit het gebied van Benjamin" naar hem toe zou komen (1 Sam. 9:15-16). Kennelijk woonde Samuël zelf niet in Benjamin.

 

Saul en zijn knecht werden op de offerhoogte bij Ramathaïm onthaald op een maaltijd en brachten daarna de nacht door in het huis van Samuël. Na zijn vertrek ging Saul naar huis. Samuël wist dat Saul op weg naar zijn woonplaats langs het graf van Rachel en de terebint van Tabor zou komen. De profeet voorspelde wat Saul op de beide plaatsen zou meemaken.

 

Het graf van Rachel

 

Het graf van Rachel lag niet ver van de grens tussen het gebied van Efraïm en dat van Benjamin, en dicht bij het daar gelegen Efrath.18 Kort na het vertrek van Jakob en zijn familieleden uit Bethel stierf Rachel tijdens de geboorte van Benjamin (Gen. 35:16, Gen. 48:7). Een latere redacteur, die veronderstelde dat met Efrath het in zijn tijd bekende Bethlehem werd bedoeld, voegde in de beide teksten ten onrechte "dat is Bethlehem" toe. Rachels graf lag echter "in Zelzah, in het gebied van Benjamin" (1 Sam. 10:2). Bethlehem ligt in Juda.

 

Dicht bij zijn woonplaats gekomen, liep Saul langs 'de heuvel van God' (1 Sam. 10:5). Dat is een betere vertaling dan 'Gibea Gods'. Ook de Septuagint heeft 'de heuvel van God'. Dat moet de heuvel bij Gibeon geweest zijn waarop de tabernakel en het brandofferaltaar stonden. Waarschijnlijk was dat de heuvel Nebi Samwil.

 

Dat Saul dicht bij zijn woonplaats was gekomen, blijkt uit het feit dat velen hem daar kenden en zich afvroegen: "Wat is er toch met de zoon van Kis gebeurd?" (1 Sam. 10:11). Toen Saul bij de heuvel gekomen was, trok een groep profeten hem tegemoet. Saul raakte in geestvervoering. Nadat een eind aan zijn geestvervoering gekomen was, ging Saul de heuvel op. Daar ontmoette hij zijn oom (1 Sam. 10:14).

 

De plaats van de tabernakel

 

Tijdens de nederlaag van de Israëlieten bij Afek (in ca. 1085 v. C.) was de ark buitgemaakt door de Filistijnen. De stad Silo werd verwoest, zoals bleek uit opgravingen. De tabernakel en het brandofferaltaar zullen in veiligheid gebracht zijn en waarschijnlijk overgebracht zijn naar de heuvel bij Gibeon.

 

David liet in het begin van zijn regering over geheel Israël de ark naar Jeruzalem overbrengen. De tabernakel en het brandofferaltaar bleven staan op de hoogte bij Gibeon (1 Kron. 16:39; 21:29). Ongeveer drie jaar voor het eind van de regering van Saul ging David voor hem op de vlucht. David ging naar het heiligdom in Nob en sprak daar met de hogepriester Achimelech. In het heiligdom waren toonbroden en de efod (1 Sam. 21:1-6). Nob was dus de plaats van het centrale heiligdom van Israël. David kreeg toonbroden en het zwaard van Goliath mee. Vanwege die hulp liet Saul Achimelech en 84 andere priesters van Nob ter dood brengen. Ook vrouwen, kinderen en mannen in de priesterstad Nob werden ter dood gebracht (1 Sam. 22:18-20).

 

Volgens sommigen was de priesterstad Nob het Nob dat genoemd wordt in Jesaja 10:32. Dat lag op zichtafstand van Jeruzalem en was waarschijnlijk de Scopusberg, ten noorden van de Olijfberg. Het is onwaarschijnlijk dat de Israëlieten de tabernakel zo dicht bij de Kanaänitische stad Jebus geplaatst hebben. Het is niet aannemelijk dat de tabernakel tot de moord op de priesters van Nob bij Jeruzalem stond en dat Saul in zijn laatste regeringsjaren de tabernakel liet overbrengen naar de heuvel bij Gibeon. Dat vond zeker niet plaats tijdens Sauls opvolger Isboseth, die alleen macht uitoefende ten oosten van de Jordaan.

 

In de opsomming van de priestersteden in Jozua 21 komt geen plaats met de naam Nob voor. Waarschijnlijk werd de heuvel bij Gibeon, waar de tabernakel stond in het begin van de regering van David, in 1 Samuël 21:1 aangeduid als Nob en woonden de priesters in Gibeon dat een priesterstad was (Joz. 21:17).

 

Gibeon en Saul

 

De Gibeonieten klaagden tegenover David dat Saul geprobeerd had hen te vernietigen (2 Sam. 21:5). Daaruit blijkt dat Saul gewelddadig optrad in Gibeon. Waarschijnlijk werden in Gibeon niet alleen de priesters en hun familieleden, maar ook anderen gedood. Mogelijk was Gibeon de regeringszetel van Saul.19 De tocht van Abner met zijn soldaten naar Gibeon was misschien een poging om de macht van koning Isboseth daar te herstellen (2 Sam. 2:12-17).20

 

De Gibeonieten vroegen aan David om ter genoegdoening van wat Saul hen aangedaan had zeven afstammelingen van Saul te mogen ophangen "in Gibeon van Saul" (Septuagint). De Masoreten-tekst heeft hier Gibea. De zeven werden opgehangen "voor het aangezicht van de Here, op de berg" (2 Samuël 21:9). Dat moet de heuvel bij Gibeon geweest zijn.

 

Volgens Arnold ging Saul na zijn vertrek van Samuël in diens opdracht naar de heilige heuvel bij Geba (Jeba) en brachten de Gibeonieten de zeven nakomelingen van Saul daarheen om ze op te hangen. Er zijn verschillende bezwaren tegen de veronderstelling dat Saul na zijn vertrek van Samuël naar Geba (Jeba) ging. Over een heilige heuvel bij Geba is niets bekend. Bovendien was Saul dicht bij zijn geboortedorp toen hij bij de heuvel van God was.

 

Als argument voert Arnold aan dat Samuël sprak over de heuvel Gods "waar de bezetting der Filistijnen ligt" (1 Sam. 10:5), terwijl in 1 Samuël 13:3 staat dat Jonathan de bezetting van de Filistijnen, die te Geba lag, versloeg. Daar Saul met 2.000 man bij Michmas gelegerd was en Jonathan met 1.000 man te Gibea, neemt Arnold aan dat de plaats waar Jonathan zijn actie uitvoerde het dicht bij Michmas gelegen Geba was.

 

Volgens 1 Samuël 14:14 was de overval van Jonathan op een Filistijnse wachtpost de eerste nederlaag die hij de Filistijnen toebracht. Daaruit blijkt dat Jonathan bij Geba geen Filistijnse bezetting versloeg. Er is een andere vertaling dan 'bezetting' mogelijk. Het Hebreeuwse woord 'nesib' in 1 Samuël 13:3 kan ook met gedenksteen vertaald worden. Waarschijnlijk was Jonathan met 1.000 man in de omgeving van Gibeon gelegerd en sloeg hij daar een Filistijnse gedenksteen aan stukken.21

 

Conclusie

 

Een definitief antwoord op de vraag waar het Gibea van Saul lag, is niet te geven. Verschillende gegevens in het eerste boek Samuël wijzen er echter op dat Saul in de omgeving bleef wonen waar hij vandaan kwam, dicht bij de heuvel waar de tabernakel stond, bij Gibeon.

 

Tell el-Ful is zeker niet de plaats van Sauls Gibea. De bezwaren tegen de identificatie van het Gibea van Saul met Jeba zijn genoemd. In Jeba hebben geen opgravingen plaatsgevonden. Bij oppervlakteonderzoek werd geen aardewerk gevonden uit IJzer I (1200-1000 v. C.). Dat wijst erop dat de plaats in de tijd van Saul niet bewoond was. Oppervlakteonderzoek op bewoonde plaatsen is echter niet altijd betrouwbaar. Een groot deel van de heuvel is bewoond, zodat archeologisch onderzoek in Jeba slechts beperkt mogelijk is. Pas na opgravingen in Jeba is de vraag te beantwoorden of de plaats bewoond was in de tijd van koning Saul.

 

drs. J.G. van der Land

 

 

NOTEN

​

1.P.M. Arnold, Gibeah. The Search for a Biblical City, Sheffield 1990.

2.Idem, p. 47-48.

3.Idem, p. 47, 57.

4.Idem, p. 30-31.

5.Idem, p. 44, 50.

6.Idem, p. 50.

7.Idem, p. 44.

8.Idem, p. 50-51.

9.Idem, p. 51-52.

10.Idem, p. 52.

11.Idem, p. 53.

12.Idem, p. 88-89, 96.

13.K. van der Toorn, Saul and the Rise of Israelite State Religion, VT 43, 1993, p. 520; J. Baldwin, 1 and 2 Samuel, Leicester 1988, p. 91.

14.Baldwin, a.w., p. 88.

15.D. Edelman, Saul's Journey through Mt. Ephraim and Samuels's Ramah (1 Sam. 9:4-5; 10:2-5), ZDPV 104, 1988, p. 50-54.

16.H.J. Stoebe, Das erste Buch Samuel, Gütersloh 1973, p. 88.

17.Van der Toorn, a.w., p. 521.

18.Stoebe, a.w., p. 197.

19.J. Blenkinsopp, Gibeon and Israel. The Rise of Gibeon and the Gibeonites in the political and religious History of Early Israel, Cambridge 1972, p. 6.

10.Idem, p. 84.

21.J.M. Miller, Sauls' Rise to Power, Catholic Biblical Quarterly 36, 1974, p. 159.

Laatste update: 16  april 2019