Onweerlegbaar bewijs tegen de chronologie van Rohl

​

Om aan te tonen dat verhalen in de Bijbel historisch betrouwbaar zijn, dienen ze te passen in een bepaalde tijd. We zijn daarbij afhankelijk van de dateringen van de geschiedenis van de landen rondom Palestina. Voor de oudste geschiedenis van het volk Israël zijn met name de Egyptische dateringen belangrijk. Over die dateringen bestaat thans onder de wetenschappers een belangrijke mate van overeenstemming. Al jaren dienen zich echter personen aan die stellen dat er van de gebruikelijke dateringen van Egypte niets klopt en dat daarin grote verschuivingen aangebracht moeten worden.

​

Velikovsky

​

I. Velikovsky beweerde sinds ca. 1960 dat de betrouwbaarheid van verhalen in het Oude Testament, zoals die over de Uittocht uit Egypte en de Intocht in Kanaän, alleen na aanzienlijke verschuivingen van de dateringen van de Egyptische farao's bewezen kon worden. Hij kreeg in de jaren zeventig met zijn theorieën aanhang bij de leiding van de Evangelische Omroep (EO).

​

Zijn ideeën vonden ingang, omdat men niet naging wat er werkelijk stond in de bronnen die Velikovsky noemde. Men nam klakkeloos de beweringen van Velikovsky aan. De leiding van de EO had niet door dat Velikovsky meermalen de inhoud van teksten vervalste.

​

De EO-directie betaalde dr. J.J. Bimson, een Engelse egyptoloog en archeoloog, om een 'vertaling' van een Egyptische tekst voor te lezen die er niet stond! Het ging om een tekst op één van de muren van de Poent-hal in de tempel van farao Hatsjepsoet in Deir el-Bahari, bij Luxor. De EO liet Bimson de tekst uitspreken zoals die was weergeven door Velikovsky. Zo kreeg de vervalsing een wetenschappelijk tintje.

​

Bimson wist dat hij de waarheid geweld aandeed bij wat hij uitsprak, maar hij was gebonden aan een contract met de EO, dat hij getekend had om de tekst uit te spreken. Bimson heeft een en ander onthuld op een conferentie, gehouden op 26 juni 1982 in Londen (J.J. Bimson, Was Hatshepsut the Queen of Sheba? in: Velikovsky's History & Cosmology, A meeting of the Society for Interdisciplinary Studies, 26 juni 1982, p. 1 t/m 8).

​

Courville, aanvankelijk aanhanger van Velikovsky, zag in dat diens chronologie onhoudbaar was en kwam met een nieuwe chronologie die ook aan de hand van bronnen te weerleggen is.

​

Begin jaren negentig verscheen de Engelse egyptoloog David Rohl, als een nieuwe dwaalster aan het firmament. Zijn verschuivingen gaan minder ver dan die van Velikovsky. Rohl beweert dat alle dateringen van de geschiedenis van het Oude Nabije Oosten met ca. 250 tot 350 jaar verschoven dienen te worden.

​

De directie van de EO liet zich opnieuw strikken voor een onhoudbare theorie, in de gedachte dat zo de betrouwbaarheid van de Bijbel bewezen kon worden. In BGA zijn de theorieën van Rohl in verschillende uitvoerig gedocumenteerde artikelen weerlegd. De aanhangers van Rohl proberen steeds weer onder de weerleggingen uit te komen.

​

DE KOMST VAN DE FILISTIJNEN

​

Een voorbeeld: In de chronologie van Rohl verschuift de komst van de Filistijnen naar Palestina - in het achtste jaar van farao Ramses III (ca. 1175 v. C.) - als gevolg van de verschoven dateringen van deze farao naar ca. 850 v. C.. De Filistijnen woonden echter al voor de tijd van Samuël (ca. 1100 v. C.) in het zuidwesten van Palestina. De lagen in Asdod en Ekron van voor de komst van de Filistijnen zijn volgens algemeen inzicht Kanaänitisch en eindigen in verwoestingen. Deze zouden volgens de chronologie van Rohl dus in ca. 850 v. C. plaatsgevonden hebben.

​

Porter, aanhanger van Rohl, kwam met een 'oplossing'. De bewoners van de genoemde steden voor ca. 850 v. C. waren ook Filistijnen. Er kwam in ca. 850 v. C. een nieuwe golf van Filistijnen die zich vestigden onder hun daar al wonende verwanten. Een ongeloofwaardige hypothese, omdat kort voor de vestiging hevige verwoestingen plaatsvonden. Dat wordt door Porter niet vermeld.

​

Na de laatste discussieronde, in october/november 1999, reageerden de aanhangers van Rohl niet meer. We zullen de discussie met hen alleen nog voeren via de Internet-site van BGA, maar daarop volgde ook geen reactie. We geven nog een laatste duidelijk voorbeeld waaruit blijkt dat de nieuwe chronologie van Rohl onhoudbaar is.

​

Archief van een Assyrische kanselier

​

Bij opgravingen in de vroegere Assyrische hoofdstad Assoer is een verzameling kleitabletten gevonden die bekend staat als 'archief 14410'. Tal van brieven in dit archief werden geschreven door Baboe-ahoe-iddina, kanselier tijdens de Assyrische koningen Adad-nirari, Salmanassar en Toekoelti-ninoerta. Uit dergelijke teksten kan men niet afleiden welke koning met deze naam bedoeld wordt. Er zijn meer Assyrische koningen geweest die deze namen droegen. Historici en archeologen hebben een nummer aan hun namen toegevoegd. We zullen aantonen dat de in archief 14410 genoemde koningen Adad-nirari I (1297-1265 v. C.), Salmanassar I (1265-1235 v. C.) en Toekoelti-ninoerta I (1235-1198 v. C.) zijn, respectievelijk vader, zoon en kleinzoon.

​

In de brieven van kanselier Baboe-ahoe-iddina worden 14 eponymen vermeld, ambtenaren naar wie een jaar in de Assyrische annalen genoemd werd. Er zijn eponymen bij uit de tijd van een koning Adad-nirari, van een koning Salmanassar en uit de tijd van een koning Toekoelti-ninoerta. Adadnirari II (912-891 v. C.) werd opgevolgd door Toekoelti-ninoerta II (891-884 v. C.) en in 859 v. C. begon de regering van Salmanassar III (859-824 v. C.).

​

In een brief uit archief 14410 wordt een eponym Abi-iloe en een prins Toekoelti-ninoerta genoemd. Assoer-damiq, een zoon van Abi-iloe, wordt genoemd op Assoer-stèle 96. Hij was eponym tijdens een koning Salmanassar.1 Een eponym met die naam komt niet voor tijdens Salmanassar III.

​

Pas zeven generaties na Salmanassar II kwam een weer een Assyrische koning met de naam Toekoelti-ninoerta (II) aan de macht. Dus kan Baboe-ahoe-iddina onmogelijk in de tijd van Salmanassar II en Toekoelti-ninoerta II geleefd hebben. Dat houdt in dat Baboe-ahoe-iddina leefde tijdens Salmanassar I en Toekoelti-ninoerta I, evenals Assoer-damiq.

​

Er wordt ook een eponym Loellajau genoemd in het archief, levend tijdens een koning Toekoelti-ninoerta. Een eponym met die naam komt niet voor tijdens Toekoelti-ninoerta II, dus leefde hij tijdens de eerste koning met die naam.2

​

Onweerlegbare conclusie: Baboe-ahoe-iddina begon zijn ambtelijke carrière in de laatste jaren van Adad-nirari I, daarna diende hij Salmanassar I en hij was nog kanselier in de eerste jaren van Toekoelti-ninoerta I.

​

Afschriften uit Hattoesas

​

In de vroegere Hethitische hoofdstad Hattoesas zijn ontwerpen gevonden van brieven die geschreven werden door de Hethitische koning Hattoesili III of door zijn zoon Toethalyas IV aan Baboe-ahoe-iddina (KUB XXIII, 92 en KUB XXIII, 103).3 De drie genoemde Assyrische koningen waren dus tijdgenoten van de koningen Hattoesilis III en Toethalyas IV.

​

Volgens de chronologie van Rohl regeerde Hattoesilis III van ca. 925-895 v. C. en zijn zoon Toethalyas IV van 895-880 v. C.. Rohl dateert namelijk Ramses II van 932-866 v. C., ca. 350 jaar later dan algemeen gebruikelijk is. Ramses II correspondeerde met Hattoesilis, zodat ook de regeerjaren van de beide Hethitische koningen met 350 jaar verschoven moeten worden. Als Baboe-ahoe-iddini een hoge Assyrische ambtenaar was tijdens Adad-nirari I, Salmanassar I en Toekoelti-ninoerta I, dan moeten ook de dateringen van deze drie koningen met 350 jaar verschoven worden. Dan zouden deze drie laatst genoemde Assyrische koningen geregeerd hebben van ca. 950-850 v. C.. In deze periode regeerden echter andere Assyrische koningen: Adadnirari II, Toekoelti-ninoerta II en Salmanassar III, waarvan de dateringen vaststaan. Zij kunnen niet met de eerdere koningen geïdentificeerd worden, want onder de laatsten komen de genoemde eponymen niet voor.

​

Conclusie

​

Volgens de chronologie van Rohl zouden Adad-nirari I, Salmanassar I en Toekoelti-ninoerta I als tijdgenoten van Hattoesilis III en Toethalyas IV geleefd moeten hebben van ca. 950-850 v. C.. Dat is onmogelijk omdat er toen andere koningen in Assyrië regeerden. Dat archief levert samen met het in Hattoesa gevonden ontwerp van een brief uit Hattoesas het onweerlegbare bewijs op dat de chronologie van Rohl onhoudbaar is.

​

J.G. van der Land

​

​

​

​

NOTEN

​

1. E. Weidner, 'Der Kanzler Salmanassars I.', Archiv für Orientforschung 19, 1959/1960, p. 33-34.

2. Idem, p. 34.

3. H. Otten, Ein Brief aus Hattusa an Babu-ahu-iddina, Archiv für Orientforschung 19, 1959/1960, p. 39-46.

Laatste update: 16  april 2019