Moab al vroeg in Egypte bekend

 

Nelson Glueck kwam, na archeologisch onderzoek in het gebied ten oosten van de Jordaan, in de jaren dertig tot de conclusie dat daar vanaf ca. 1900 tot ca. 1250 v. C. geen steden bestonden en dat daar in die periode slechts een gering aantal nomaden verbleef.1 Daar de Israëlieten kort voordat ze de Jordaan overtrokken vele steden in de koninkrijken van Sihon en Og veroverden, konden deze koninkrijken volgens Glueck niet bestaan hebben voor ca. 1250 v. C.. Deze conclusie was één van de redenen dat velen het dateren van de Intocht van de Israëlieten in Kanaän in ca. 1400 v. C. loslieten en de late datering - ca. 1220 v. C. - aanvaardden.

 

Later bleek de conclusie van Glueck onjuist te zijn. Opgravingen sinds ca. 1965 in het gebied ten oosten van de Jordaan hebben aangetoond dat daar tijdens Laat Brons (ca. 1470-1200 v. C.) tal van steden bestonden. De vele vondsten van Myceens en Cypriotisch aardewerk die kenmerkend zijn voor Laat Brons leverden het bewijs dat er tijdens de Laat Brons periode ten oosten van de Jordaan een stedelijke beschaving bestond.2

 

De vroege datering van de Intocht, die in overeenstemming is met verschillende gegevens in de Bijbel, is dus niet in strijd met gegevens die gebaseerd zijn op archeologisch onderzoek. Op grond van de Septuagintvertaling van 1 Koningen 6:1, waar staat dat de Uittocht uit Egypte 440 jaar voor het begin van de bouw van de tempel plaatsvond, dateren we de Intocht in ca. 1360 v. C..

 

Als de Intocht al in ca. 1360 v. C. plaatsvond, moet ook het koninkrijk Moab al in die tijd bestaan hebben. Door archeologisch onderzoek is dat nog niet aangetoond, maar uit Egyptische inscripties blijkt dat Moab al in die tijd bekend was.

 

Moab tijdens Laat Brons?

 

Archeologisch onderzoek heeft in het gebied ten oosten van de Jordaan tot nu toe alleen voor het gebied ten noorden van de Arnon het bestaan van Laat Brons steden aangetoond. Het koninkrijk Moab was in de tijd van de Intocht beperkt tot het gebied ten zuiden van de Arnon. In dat gebied zijn nog slechts weinig bewijzen gevonden van het bestaan van nederzettingen tijdens Laat Brons.

 

Moab was in de tijd van de Intocht een klein koninkrijk met een agrarisch karakter en weinig steden, maar als tijdens Laat Brons een koninkrijk Moab bestond, moeten er overblijfselen van Laat Brons nederzettingen zijn. Ten noorden van het huidige dorp Yarut is enig Laat Brons aardewerk gevonden. Daar lag waarschijnlijk in die tijd een nederzetting. Ook in Gebel Dafyas zijn Laat Brons bewoningsresten aangetroffen. Een cyclopische muur in Khirbat al-Balu dateert waarschijnlijk uit Laat Brons.3 Archeologisch onderzoek heeft nog te weinig resultaten opgeleverd om de conclusie te kunnen trekken dat er een koninkrijk Moab bestond tijdens Laat Brons. In Moab is nog maar weinig archeologisch onderzoek gedaan.

 

Moab wordt al genoemd in Egyptische inscripties uit Laat Brons. Op een standbeeld van Ramses II (1279-1213 v. C.), aan de westkant van de ingang in het poortgebouw van de tempel van Amon in Luxor, bevindt zich een lijst met geografische namen waarin Moab als nummer 14 wordt vermeld. De naam Moab wordt gevolgd door het teken voor een land. Als nummer 10 wordt het Hethietenrijk en als nummer 13 Assyrië genoemd. Het noemen van Moab betekent dat de Egyptenaren in de tijd van Ramses II het land de moeite van het vermelden waard vonden.4

 

Op de oostelijke muur van de grote hof van de genoemde tempel, tussen de oostpoort en het poortgebouw, is een strijdtoneel uit de tijd van Ramses II afgebeeld. De tekst daarbij luidt: "stad, die de sterke arm - leven, heil, gezondheid - veroverd heeft in het land Moab: Btrt". De naam Moab is in deze inscriptie op dezelfde wijze gespeld als in de lijst op het standbeeld van Ramses II. Volgens de egyptoloog Kitchen is Btrt (Butarta) de op de Peutingerkaart vermelde plaats Raba Batora. Butarta kan via Botarat in het Grieks Batora geworden zijn.5 Over de ligging van Butarta bestaat geen eenstemmigheid. Zowel er-Rabba als de Jabal Batra worden als mogelijke lokaties genoemd. Op geen van beide plaatsen is nog Laat Brons aardewerk gevonden.6 Op de Jabal Batra liggen de ruïnes van de plaats Khirbat Batra, 17 km ten zuidoosten van Kerak.

 

Over de inscriptie waarin de verovering van Butarta genoemd wordt, is later een andere tekst aangebracht. Daarin wordt de verovering van Sabduna, 7 km ten zuidwesten van de Kades, aan de Orontes, vermeld. Ramses II leverde in zijn vijfde regeringsjaar (1275 v. C.) bij Kades strijd met de Hethieten. Daaruit is af te leiden dat Butarta al voor het vijfde regeringsjaar van Ramses II veroverd werd. In zijn vierde regeringsjaar maakte Ramses II een veldtocht naar Palestina. Tijdens deze veldtocht zal zijn leger door Moab getrokken zijn. Moab was dus al in 1275 v. C. bekend bij de Egyptenaren.7

 

Oudere vermelding van Moab?

 

Zeer waarschijnlijk was Moab al in het begin van de 14e eeuw v. C. bekend in Egypte. Op de zuidelijke muur van de zuilenhal van een tempel in Amara West en op een muur in een tempel in Aksa zijn topografische lijsten te zien uit de tijd van Ramses II. De beide lijsten bevatten 20 namen die overgenomen moeten zijn van een lijst die farao Amenhotep III (1386-1353 v. C.) liet aanbrengen in een tempel in Soleb, in Nubië. De beide lijsten uit de tijd van Ramses II zijn namelijk vrijwel identiek met de lijst in Soleb. In de laatste lijst zijn de namen op enkele plaatsen onherkenbaar beschadigd, terwijl ook in de lijst in Aksa enkele namen onleesbaar geworden zijn. De naam Moab is alleen in de lijst in Amara West op plaats 17 te lezen, waarbij er enige onzekerheid bestaat over één teken van de naam. Op plaats 17 van de lijst van Soleb staat een beschadigde naam. Daar de lijsten vrijwel parallel lopen, moet op plaats 17 in de lijst in Soleb de naam Moab gestaan hebben. Dat houdt met grote waarschijnlijkheid in dat Moab al tijdens Amenhotep III bekend was.8

 

Dibon

 

De noordgrens van het koninkrijk Moab is meermalen gewijzigd. Aanvankelijk strekte Moab zich uit tot aan de noordkant van de Dode Zee. Hesbon en Dibon waren Moabitische steden. Volgens Numeri 21:13 werd het gebied ten noorden van de Arnon kort voor de Intocht door koning Sihon op de Moabieten veroverd zodat Dibon en Hesbon in zijn bezit kwamen. Het gebied ten noorden van de Arnon kwam in de tijd van de Intocht in het bezit van de Israëlieten. In de tijd van de richteren heroverden de Moabieten hun oude gebied weer. Koning David maakte de Arnon weer tot de noordgrens van Moab. Waarschijnlijk kwam het gebied ten noorden van de Arnon kort na de dood van Salomo weer in het bezit van de Moabieten. In ca. 880 v. C. veroverde koning Omri van Israël een deel van het Moabitische gebied ten noorden van de Arnon. De grens werd toen waarschijnlijk de wadi Hedan, een zijtak van de Arnon die naar het noordoosten loopt. Dibon bleef dus in handen van de Moabieten.

 

Egyptische inscripties

 

Uit Egyptische inscripties blijkt dat tijdens Laat Brons een stad Dibon bestond. Op dezelfde plaats in de tempel in Luxor waar de verovering van Butarta is vermeld, wordt bij een tekening van een versterkte stad de plundering van 'tbniw' vermeld. Omdat deze tekst volgt op die over Butarta wordt daarmee waarschijnlijk Dibon bedoeld, maar er bestaat verschil van mening over deze conclusie.9 In een stedenlijst uit de tijd van Ramses II (1279-1213 v. C.) wordt Qarho genoemd, waarschijnlijk een gedeelte van Dibon waar de koninklijke citadel lag. In de inscriptie op de Mesa-steen vermeldt koning Mesa ook Qarho.

 

Mogelijk wordt Dibon nog eerder genoemd. In een topografische lijst uit de tijd van farao Thoetmosis III (ca. 1479-1425 v. C.), op een muur in de tempel van Amon in Karnak, komt 'tipinu' voor. Verderop wordt een plaats 'yarutu' vermeld, dat gedentificeerd wordt met de ruïnes ten noorden van het huidige dorp Yarut in Moab. Gezien het feit dat 'yarutu' kort erna wordt vermeld, is het waarschijnlijk dat met 'tipinu' Dibon bedoeld wordt. Deze identificatie wordt niet algemeen aanvaard. Mogelijk kan de in de lijst genoemde plaats 'harkur' met Kerak geïdentificeerd worden.10

 

In de tijd van de Intocht was Dibon een stad in het koninkrijk van koning Sihon. Uit opgravingen in Tell Dhiban is gebleken dat daar aan het eind van Vroeg Brons (ca. 2500-2200 v. C.) een nederzetting bestond, maar dat de plaats tijdens Midden en Laat Brons onbewoond was. Pas na ca. 1200 v. C. was er in Tell Dhiban weer sprake van bewoning. De stad Dibon tijdens de Intocht moet dus op een andere plaats gelegen hebben dan het Dibon dat later gebouwd werd door de Isralieten. Later werd Dibon veroverd door de Moabie

ten. Koning Mesa (ca. 850 v. C.) bouwde er een paleis. De overblijfselen van de door Mesa versterkte stad zijn opgegraven.Gedenksteen van koning Mesa van Moab

 

Hesbon

 

Tijdens opgravingen in Tell Hesban werd daar geen spoor van bewoning tijdens Laat Brons gevonden. Vermoedelijk lag Hesbon, de hoofdstad van koning Sihon, op de plaats van Tell Jalul, 10 km ten zuidoosten van Tell Hesban. Zeer waarschijnlijk lag daar tijdens Laat Brons een stad. In Tell Jalul vinden opgravingen plaats die mogelijk duidelijkheid zullen geven over het bestaan van een stad op die plaats tijdens het Laat Brons.11

 

Tijdens recent archeologisch onderzoek in Tell Hesban bleek dat daar in ca. 1250 v. C. een dorp gesticht werd. Dat is de oudste nederzetting op die plaats, die gebouwd moet zijn door de Rubenieten en de naam Hesbon kreeg.

 

De thans beschikbare archeologische gegevens over Moab zijn nog hoofdzakelijk op oppervlakteonderzoek gebaseerd en kunnen geen uitsluitsel geven over de omvang en de aard van Laat Brons nederzettingen in Moab.

 

De schriftelijke gegevens uit Egypte over Moab maken duidelijk dat het voorbarig is om op grond van beperkte archeologische gegevens te concluderen dat er tijdens in de 14e eeuw v. C. nog geen koninkrijk Moab bestond.

 

drs. J.G. van der Land

 

 

 

NOTEN

​

1. N. Glueck, The other side of the Jordan, New Haven 1940, p. 114.

2. R.H. Dornemann, The Archaeology of the Transjordan in the Bronze and Iron Ages, Milwaulkee 1983, p. 165.

3. U. Worschech, Die Beziehungen Moabs zu Israel und Ägypten in der Eisenzeit, Wiesbaden 1990, p. 24-43.

4. S. Timm, Moab zwischen den Mächten. Studien zu historischen Denkmälern und Texten, Wiesbaden 1989, p. 5-8.

5. Idem, p. 14-15.

6. Worschech, a.w., p. 27.

7. Timm, a.w., p. 20-21.

8. Idem, p. 9-13.

9. U. Worschech, Egypt and Moab, BA 60, 1997, 4, p. 231.

10. Idem, p. 230-231.

11. L.T. Geraty, 'Heshbon: The First Casualty in the Israelite Quest for the Kingdom of God', in: H.B. Huffmon, The Quest for the Kingdom of Godd: Studies in Honor of George E. Mendenhall, Wimona Lake 1983, p. 239-248.

Laatste update: 16  april 2019