Hebron door de eeuwen heen

​

Inleiding

​

Hebron is één van de oudste steden van de wereld met een vóórtdurende bewoning. Uit de resultaten van archeologisch onderzoek en uit geschreven bronnen blijkt dat de stad vanaf ca. 2000 v. C. bijna ononderbroken bewoond is. De belangrijkste bron is de Bijbel (Tenach). Zoals bekend is het de stad van de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jakob.

​

Geografie

​

Hebron ligt 32 km ten zuiden van Jeruzalem in het heuvelland van Juda, op 930 meter hoogte. Dit is het hoogste punt in de heuvels van Judea.

​

Het moderne Hebron ligt rondom de stad Hebron uit de oudheid - tel Hebron of tel Rumeida genoemd - dat tot ongeveer 400 v. C. bewoond werd. Daarna werd het stadje één km oostwaarts verplaatst in de richting van de grot van Machpéla, die eveneens op een heuvel ligt. De stad breidde zich vervolgens uit in de vallei van Hebron, gelegen tussen de tel en de grot van Machpela.

​

In Tel Hebron waren de voorwaarden aanwezig voor het ontstaan van een nederzetting, namelijk de aanwezigheid van een waterbron, een gunstig klimaat voor landbouw en een gunstige handelsroute. Naar het noorden ging de weg over de bergkam van Juda en Samaria naar Sichem (het huidige Nabloes) - de zogenaamde "Weg van de Patriarchen". Verder ging er zuidwestwaarts een weg naar Gaza en Egypte en één zuidoostwaarts naar de Rode Zee en Moab (afb. 1). Het laagland tussen Hebron en de kustvlakte (de Shefela) was dan ook het geografische, economische en militaire domein van Hebron. Zo blijkt uit de El-Amarna brieven dat de versterkte steden in de Shefela - Lachis en Azeka - onder het bestuur van Hebron stonden. Het blijkt eveneens tijdens de Israëlitische periode uit talrijke zegelafdrukken in handvaten van kruiken van aardewerk (beide zullen nader worden toegelicht).

​

Door het gunstige klimaat voor de landbouw zijn er ook heden ten dage talrijke graanvelden, boom- en wijngaarden en veel grazende kudden schapen en geiten rondom Hebron.

​

Naamgeving

​

De naam Hebron is afkomstig van 'haver', het Hebreeuwse woord voor 'vriend'. Abraham wordt "de vriend van God" genoemd (Jes. 41:8). Na de moslim-invasie in Palestina - in ongeveer 630 v. C. - neemt de islam deze traditie over: de Arabische naam voor Hebron is 'el Khalil', wat eveneens "vriend van God" betekent.

​

Een andere naam is Kirjat-Arba. Arba is het Hebreeuwse woord voor 'vier'. Dit duidt mogelijk op een verbond van vier nederzettingen, waartoe de families van Aner, Eskol, Mamre en Abraham behoorden, die tezamen de stad vormden (Gen. 14:13).

​

In het boek Jozua wordt 'arba' echter toegeschreven aan de naam van een beroemde lokale bewoner... die de grootste was onder de Anakieten (Joz. 14:15). Het beschrijft eveneens Arba als "de vader van Anak" (Anak = Enak - het Hebreeuwse woord voor 'reus').

​

Weer andere passages noemen specifieke plaatsen om en nabij Kirjat-Arba, zoals de terebinten van Mamre, waar Abraham eerst vertoefde (Gen. 13:18) en de Grot van Machpela, waar de aartsvaders en hun vrouwen begraven werden. In Genesis 35:27 heeft men een 'synthese' van namen: "En Jakob kwam bij zijn vader Isaäk te Mamre bij Kirjat-Arba - dat is Hebron - waar Abraham en Isaäk als vreemdeling vertoefd hadden".

​

De oorsprong van de Arabische naam van tel Rumeida is onbekend.1

​

Historie en archeologie

​

Tel Rumeida (het 'oude Hebron') is in de jaren 1963-1966 onderzocht door de Amerikaanse archeoloog Hammond en zijn team, en van 1984-1986 door de Israëlische archeoloog Ofer en zijn team. Slechts een klein gedeelte van de tel werd opgegraven. Bij de spelonk van Machpela was geen systematisch onderzoek mogelijk, daar het één van de meest heilige plaatsen van Israël is. Ook de huidige stad Hebron is niet opgegraven.

​

Met betrekking tot de historische referenties naar het Oude Hebron onderscheidt men verschillende periodes:

​

1. De Kirjat-Arba periode, de zogenaamde dorpsfase van Hebron, ook wel de Genesisfase genoemd. Dit is tel Rumeida in de periode van 2000-1750 v. C. (dus de tijd van Abraham, Isaäk en Jakob).

​

In deze periode woonden er verschillende ethnische groepen, waaronder de Kanaänieten, de Amorieten en de Hethieten. In Genesis 23 staat beschreven dat Abraham de spelonk en het veld van Machpela kocht om zijn vrouw Sara te begraven: "En Sara stierf te Kirjat-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaän.... Toen stond Abraham op, en ging heen van zijn dode, en sprak tot de Hethieten... en sprak tot de Hethiet Efron... Waarlijk, indien gij genegen zijt, luister dan naar mij: ik geef de prijs van het veld; neem die van mij aan, opdat ik mijn dode daar begrave... En Abraham woog aan Efron het geld af... 400 sikkelen zilver, gangbaar bij de koopman... Zo ging het veld van Efron, dat in Machpela tegenover Mamre ligt, het veld en de spelonk aldaar, en al het geboomte op het veld... in eigendom aan Abraham over... Daarna heeft Abraham zijn vrouw Sara begraven in de spelonk van het veld van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän. Zo is het veld met de spelonk aldaar van de Hethieten aan Abraham overgegaan tot een eigen grafstede" (Gen. 23:2-3; 13-20).

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

Kleitablet met tekst in Akkadisch spijkerschrift over een lijst van dieren (17e-16e eeuw v. C.).

​

Archeologische vondsten op tel Rumeida uit deze periode zijn onder andere: karakteristiek aardewerk, waaronder voorraadvaten kookpotten, schalen, kruikjes, etc. De plaats was niet versterkt. Natuurlijke grotten werden als familiegraven gebruikt.2

​

2. De Hyksos-periode. In deze periode - van 1750-1500 v. C. - ontwikkelde Kirjat-Arba zich tot de versterkte Kanaänitische/Amoritische stad Hebron. De Griekse naam Hyksos betekent "heersers van vreemde landen". Zij regeerden van 1639-1531 v. C. over Egypte, Syrië en Palestina. Hun oorsprong is niet bekend. De Hyksoshoofdstad Avaris (Tell el Dab'a) lag in de Nijldelta.

​

Archeologische vondsten uit deze periode zijn:

​

- een stenen muur van 9 meter dik, waarvan sommige stenen een afmeting van één bij twee meter hadden. De muur is gebouwd in de zogenaamde 'Hyksosstijl' (zonder metselwerk, vergelijkbaar met die van versterkingen in Megiddo en Gezer) en bleef bestaan tot de late IJzertijd (dus 1000 jaar).

​

- een kamer - in een gebouw dichtbij de muur - die gebruikt werd voor het verzamelen van as, beenderen van dieren (vermoedelijk offerdieren) en potscherven. Tevens vond men hier een fragment van een kleitablet, waarop in Akkadisch spijkerschrift een lijst voorkomt van dieren (schapen en geiten) en vijf namen, waarvan er vier West-Semitisch waren (Amorieten) en één Hoerritisch, en de naam 'koning'. Het betreft vermoedelijk de koning van Hebron. Het fragment was de rechterhelft van een kleitablet van 7 bij 9 cm.3 (afb. 2). Het aardewerk was zeer gevarieerd en typerend voor de Midden-Bronstijd.

​

3. De derde fase is het Laat Brons, van 1500-1200 v. C.. In deze periode stond Hebron (tijdelijk) onder Egyptische heerschappij: in 1897 zijn in de plaats Tell el-Amarna in Egypte kleitabletten gevonden met Akkadisch spijkerschrift, die inzicht geven in de relatie tussen de Egyptische monarch en zijn vazal-stadsstaten in Kanaän (en ook in de schermutselingen tussen de stadsstaten onderling, zoals Hebron en Jeruzalem). Dit zijn de beroemde Amarna-brieven. Hierin verschijnt onder andere regelmatig de naam Shoewardata als de regeerder van de Hebron-streek in het zuidelijk heuvellandschap (zeer waarschijnlijk de koning van Gath).

​

Na de uittocht uit Egypte werd het land Kanaän verkend door 12 verspieders, onder wie Jozua en Kaleb, die door het Zuiderland optrokken naar Kanaän. Ze werden geconfronteerd met reusachtige mensen - de Enakieten - en versterkte steden. In het dal Eskol sneden zij een rank met een tros druiven af (eshkol is het Hebreeuwse woord voor 'druif'), die zij met zijn tweeën aan een draagstok droegen, evenals granaatappelen en vijgen.

​

Na verloop van 40 dagen kwamen zij terug van het verspieden van het land en zeiden tot Mozes en Aäron en de gehele vergadering der Israëlieten, in Kades, in de woestijn Paran (in de Sinaï): "Wij kwamen in het land waarheen gij ons gezonden had, en ja, het vloeit van melk en honing, en dit is zijn vrucht. Het volk echter dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot en ook de kinderen van Enak zagen wij daar..."

​

... Kaleb trachtte het volk tot bedaren te brengen tegenover Mozes en zei: "Laat ons gerust optrekken en het in bezit nemen, want wij zullen het zeker overmeesteren" (Num. 13:21-30). Jaren later - na de omzwervingen in de woestijn en de intocht in Kanaän werd Hebron veroverd door Jozua en Kaleb. Kaleb pleitte bij Jozua om hem Hebron als erfgoed te geven: In Jozua 14:12-15 en Jozua 15: 13-14 staat onder andere: "Geef mij (= Kaleb) dit bergland ... want gij zelf hebt toen gehoord dat daar Enakieten zijn met grote, versterkte steden; wellicht zal de Here met mij zijn en zal ik hen verdrijven "... Toen zegende Jozua hem, en hij gaf aan Kaleb Hebron ten erfdeel... De naam van Hebron was eertijds Kirjat-Arba; deze Arba was onder de Enakieten de grootste man... Arba was de vader van Enak. Dit is Hebron. En Kaleb verdreef de Enakieten, zonen van Enak...". En het land rustte van de strijd.

​

N.B. Daarnaast was Hebron een Israëlitische vrijhavenstad - wijkplaats voor een doodslager om zich te beschermen tegen de bloedwreker - en een Levitische stad voor de Aäronische priesters. In Jozua 21:13 staat: "Aan de zonen van de priester Aäron gaven zij Hebron, de vrijstad voor de doodslager, en haar weidegronden...".

​

De vierde periode is die van de Israëlitische koningen - van ca. 1000-586 v. C. (dus tot de Babylonische Ballingschap).

​

In ongeveer 1010 v. C. woonde David in Hebron en werd daar tot koning gezalfd. In 2 Samuël 2:1-4 staat: "Hierna vroeg David de Here: Zal ik optrekken naar een van de steden van Juda? De Here antwoordde hem: trek op... naar Hebron. Toen trok David daarheen met zijn twee vrouwen... Ook liet David zijn mannen die bij hem waren, meetrekken, ieder met zijn gezin, en zij vestigden zich in de steden van Hebron. En de mannen van Juda kwamen en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda. In Hebron heeft David zeven jaar en zes maanden geregeerd over Juda, en in Jeruzalem drieëndertig jaar over geheel Israël en Juda" (2 Sam. 5:5).

​

Hebron was eveneens het hoofdkwartier van de opstand van Absalom tegen David (2 Sam. 15:10). In ca. 920 v. C. werd Hebron versterkt door Rehabeam - de kleinzoon van David (2 Kron. 11:11). Daarna werd Hebron verder uitgebreid en werd het een regionaal administratief centrum.4

​

Opgravingen brachten beter en meer verfijnd keramiek aan het licht en tevens een huis met twee verdiepingen van het Israëlitische vier-kamer-type. De belangrijkste vondst was: vier handvaten van voorraadvaten van klei. In de handvaten was een zegelafdruk met als kenmerk een scarabee met twee of vier vleugels, en de woorden lmlk (= lamelekh, toebehorend aan de koning) en hbrn (verwijst waarschijnlijk naar de gehele streek van het heuvellandschap waarvan Hebron de hoofdstad was). Hiermede was Hebron geïdentificeerd (afb. 4).

​

N.B. Deze zegelafdrukken op handvaten werden ook in andere versterkte steden in Judea gevonden, zoals in Jeruzalem en Lachis. Men noemt ze 'koninklijke Judese voorraadvaten' en men denkt dat ze gebruikt werden als onderdeel van de massieve voedselopslag van koning Hizkia bij de voorbereiding tegen de Assyrische aanval in 701 v. C.. In dat jaar werd Hebron vernietigd door de Assyrische koning Sanherib. Er zijn geen vondsten uit die tijd.5

​

In 586 v. C. vindt de deportatie plaats naar Babylon (de Babylonische Ballingschap). Uit de Perzische tijd (van 585-333 v.C.) is door Hammond en zijn team in geen van de acht gebieden van de tel die zij onderzochten bewoning geconstateerd. Vermoedelijk vormden de teruggekeerde Joden die in Kirjat-Arba woonden een kleine gemeenschap (Neh. 11:25).

​

De bewoning van de tel werd hervat in de Hellenistisch/Hasmonese periode (333-63 v. C.), maar waarschijnlijk als een buitenwijk van de stad die nu gelokaliseerd is in de vallei van Hebron tussen tel Rumeida en de Grot van Machpela (één km oostwaarts). Hier is geen archeologisch onderzoek verricht.

​

In de Vroeg-Romeinse tijd (63 v. C.-70 na Chr.) breidt de stad zich verder uit in de vallei. Ook na deze tijd bleef tel Rumeida onbewoond.

​

De voorlopige conclusie van de archeologen die de opgravingen in tel Rumeida op zeven verschillende lokaties (ongeveer 10% van het totale oppervlak) verrichtten is: "Verder onderzoek is noodzakelijk. De top van de tel, waar mogelijk het hoofdkwartier van David is, is niet onderzocht. Ook het verdere verloop van de muur staat op het programma, evenals de lokatie van de bron van Hebron en het zoeken naar epigrafisch materiaal."6

​

In tweede eeuw v. C. vallen de Makkabeeën (Joodse opstandelingen) het thans Edomitische Hebron aan (1 Makk. 5:65). Aan het eind van de deze eeuw werd het weer een Joodse stad.7

​

Tijdens de regering van koning Herodes de Grote (37-4 v. C.) werd een kolossale muur rondom de grot gebouwd, die de Rots van Machpela genoemd wordt. De muur is twee meter dik en is herkenbaar aan de zogenaamde ashlar stenen. Dit zijn niet gecementeerde, zeer grote stenen met een gepolijst oppervlak. De grootste is 7 bij 1,5 meter.

​

N.B. Deze muur is een miniatuur van de muur die Herodes bouwde rondom het tempelplein in Jeruzalem: zij hebben dezelfde bouwstijl en stenen. Bovendien hebben de muren een overeenkomstige lengte/breedte verhouding, namelijk 1,77:1 - de lengte-breedte verhouding van de Rots van Machpela is 60-33 meter; die van de muur van het Tempelplein 480-280 meter (dus 8 keer zo groot). Deze Herodiaanse muur is zeer goed bewaard gebleven. Het is het best bewaarde monument van het land uit de oudheid (afb. 4).8

​

Evenals op de tempelberg creëerde Herodes binnen de muur een vlak oppervlak en plaveide het met stenen van bijna één meter dik.

​

N.B. Boven de grot bevindt zich de aanbiddingshal. In de aparte ruimtes rondom de hal werden door de moslims de respectievelijke grafmonumenten van Abraham en Sara, Isaäk en Rebekka, Jakob en Lea gebouwd. Deze dateren uit de 13e eeuw na Chr. De grot zelf kan men niet bezichtigen. Door middel van een rooster in de vloer kan men een blik werpen in de grot.

​

Gedurende de Eerste Opstand tegen de Romeinen (66-70 na Chr.) werd Hebron veroverd door de Zelotenleider Simeon Bar Giora (Flavius Josephus, Joodse Oorlogen IV, 529), waarna het door de Romeinse commandeur Cerealis heroverd en verbrand werd (Flavius Josephus, Joodse Oorlogen, IV, 554). De Joden bleven er wonen.9 Dit is het einde van de historische vermeldingen. Verder wordt ernaar verwezen in Talmoedische bronnen, zoals Baba Batra.

​

Jarenlang hebben Joden, moslims en christenen een pelgrimstocht gemaakt naar Hebron, maar slechts weinigen hebben zich bezig gehouden met de ondergrondse geheimzinnigheden van de grot. Beschrijvingen van de ondergrondse grot zijn dan ook zeldzaam. Een gedetailleerde beschrijving is uit de Kruisvaarders Periode, toen een monnik zich in het jaar 1119 liet zakken in de vijf meter diepe schacht onder één van de roosters. Hij kwam in een grot met dezelfde stenen als de buitenmuur, waarachter een gang liep met aan weerskanten eveneens Herodiaans metselwerk. Aan het eind was een kleine kamer die op een basiliek geleek. De kamer was leeg.

​

N.B. Vanaf de 13e eeuw werd de toegang tot de Rots van Machpela voor niet-moslims verboden. Zeven eeuwen later - na de herovering van Hebron tijdens de Zesdaagse oorlog in 1967 - konden de Joden weer hun heilige plaatsen bezoeken. Het rooster uit de 12e eeuw was vastgeklonken. Een ander rooster was smaller en Moshe Dayan - toen minister van Defensie en tevens amateur-archeoloog - kreeg toestemming van vrienden om hun 12-jarige dochter Michal door de nauwe opening te laten zakken. Haar bevindingen waren dezelfde als van de monnik zeven eeuwen ervoor (afb. 5).10

​

N.B. Na deze periode hebben de Joden gestreden om hun gebedsrechten op die plaats. Thans is de gebedsruimte voor Joden en moslims gescheiden: het gedeelte met de grafmonumenten van Jakob, Lea, Abraham en Sara wordt gebruikt door de Joden, en het gedeelte van Isaäk en Rebekka - het grootste gedeelte - door de moslims.

​

Eveneens werd na 1967 ten noordoosten van (het centrum van) Hebron de Joodse nederzetting Kirjat-Arba gesticht (niet te verwarren met het bovengenoemde Kirjat-Arba).

​

drs. M.J.W. Kastelein

​

​

​

​

NOTEN

​

1.   J.R. Chadwick, The Archaeology of Biblical Hebron in the Bronze and Iron Age, 

       Dissertation University og Utah 1992, p. 7-21.

2.   Idem, p. 1-21, 129-142.

3.   M. Anbar and N. Na'aman, An Account Tablet of Sheep from ancient Hebron, Tel Aviv 13, 1986, p. 3-12.

4.   Encyclopedia Judaica, Jeruzalem 1971, deel 8, p. 227.

5.   Chadwick, a.w., p. 7-21.

6.   Idem, p. 140-142.

7.   Encyclopedia Judaica, a. w., deel 8, p. 227.

8.   N. Miller, Patriarchal Burial Site explored for first Time in 700 Years, BAR 3, 1985, p. 26-43.

9.   Encyclopedia Judaica, a.w., deel 8, p. 228.

10.   Miller, a.w., 

Laatste update: 16  april 2019