Farao's en de Bijbel

 

De onhoudbaarheid van de chronologie van David Rohl

 

In oktober/november 1998 vertoonde de EO de tv-serie 'Farao's en de Bijbel', die gebaseerd is op de theorie van de Engelse egyptoloog David Rohl volgens wie de gebruikelijke Egyptische chronologie voor ca. 700 v. C. onjuist is. Daarom stelt Rohl ingrijpende verschuivingen voor van de dateringen van alle farao's die regeerden voor ca. 700 v. C.. Tal van gebeurtenissen die in de Bijbel vermeld worden, zouden volgens Rohl niet ingepast kunnen worden in de gebruikelijke Egyptische chronologie, terwijl ze in zijn nieuwe chronologie in het juiste verband geplaatst zouden worden.

 

Sommige Egyptische farao's voerden oorlog tegen koningen van andere landen en schreven brieven aan hen, zodat de Egyptische geschiedenis soms samenviel met die van Assyrië, Babylonië of het Hethietenrijk. Een verschuiving in de Egyptische chronologie heeft daarom grote gevolgen voor de geschiedenis van het gehele Oude Nabije Oosten voor ca. 700 v. C.. Als Rohl gelijk zou hebben, zou die geschiedenis voor ca. 700 v. C. herschreven moeten worden.

 

Er bestaat overeenstemming over de Egyptische dateringen vanaf 715 v. C.. Vanaf dat jaar regeerden de uit Nubië afkomstige farao's van de 25e dynastie over Egypte. Eén van hen was Tirhaka (Taharqa) (690-664 v. C.), die in 2 Koningen 19:9 genoemd wordt. Tirhaka was bevelhebber van het Nubisch-Egyptische leger dat in 701 v. C. koning Hizkia en zijn Filistijnse bondgenoten, die bedreigd werden door het leger van koning Sanherib, te hulp kwam.

 

Gevolgen

 

Volgens Rohl wordt in de gebruikelijke Egyptische chronologie de 21e dynastie (1069-945 v. C.) ten onrechte gedateerd voor de 22e dynastie (945-715 v. C.). De farao's van de 21e dynastie, die 124 jaar regeerden, zouden gelijktijdig met de 22e dynastie geregeerd hebben. Rohl verschuift het begin van de 22e dynastie met ca. 150 jaar, terwijl hij de periode van de 20e dynastie inkort. Dat alles heeft als gevolg dat de dateringen van de farao's van de 19e dynastie, waartoe Ramses II behoorde, met ca. 350 jaar verschoven worden.

 

Deze ingrijpende verschuivingen van de dateringen leiden tot schijn-oplossingen voor enkele problemen, maar zouden onoplosbare problemen in de geschiedenis van Israël en tegenstrijdigheid met gegevens uit de Bijbel teweegbrengen.

 

Farao Seti I (1294-1279 v. C.), vader van Ramses II, zou een tijdgenoot van koning Salomo (972-931 v. C.) worden en meermalen met zijn leger door diens rijk getrokken zijn en er steden veroverd hebben.

 

 

Ook de Laat Brons tijd zou verschuiven met ca. 350 jaar en eindigen in ca. 850 v. C.. De Filistijnen vestigden zich pas na Laat Brons in Askelon en Asdod. Ze zouden zich pas een eeuw na koning Salomo gevestigd hebben in Askelon en Asdod, terwijl die steden al meer dan een eeuw voor Salomo, in de tijd van Samuël, door Filistijnen bewoond werden (1 Sam. 6:17).

 

De laatste Kanaänitische stad Hazor werd aan het eind van Laat Brons verwoest. Als het laatste Kanaänitische Hazor pas verwoest werd in ca. 850 v. C., dan zou Salomo daar geen stad hebben kunnen laten bouwen, zoals in 1 Koningen 9:15 vermeld wordt.

 

In het vervolg zal aangetoond worden dat de theorie van Rohl op vele punten in strijd is met gegevens in inscripties en met resultaten van archeologisch onderzoek. Tal van argumenten tegen de theorie van Rohl zijn onvermeld gebleven in de tv-documentaire. Rohl interviewde zeven uur lang de bekende egyptoloog prof. K.A. Kitchen, die hem onder andere wees op genealogische gegevens waaruit onweerlegbaar blijkt dat zijn theorie onjuist is. Van alles wat Kitchen aanvoerde, bleef slechts een drie minuten durende weergave van minder belangrijke argumenten over.

 

Het begin van de verschuivingen

 

Rohl voert drie argumenten aan voor zijn stelling dat de 22e dynastie gelijktijdig met de 21e dynastie regeerde.

 

1. Het ontbreken van tombes van de heilige Apis-stieren in het Serapeum tijdens de 21e en het begin van de 22e dynastie.

 

In de ondergrondse gewelven van het Serapeum in Sakkara, de grote begraafplaats bij Memphis, staan de tombes waarin de heilige Apis-stieren, die vereerd werden in Memphis, na hun mummificatie werden bijgezet. Op stèles van priesters is het regeringsjaar vermeld van de farao tijdens wiens regering de stier begraven werd. De inscripties op de stèles verschaffen belangrijke chronologische gegevens. De reeks bijgezette Apis-stieren loopt ononderbroken door vanaf het 30e jaar van Ramses II (ca. 1250 v. C.) tot en met Ramses XI (1098-1069 v. C.), de laatste farao van de 20e dynastie. Er zijn echter geen tombes gevonden uit de tijd van de farao's van de 21e dynastie en uit de periode van de eerste drie farao's van de 22e dynastie. Dat zou een aanwijzing kunnen zijn dat deze farao's gelijktijdig met andere farao's regeerden, zodat zij ten onrechte een plaats in de chronologie kregen. Vanaf 852 v. C. zijn er weer tombes tot de Romeinse tijd.

 

2. De onverklaarbare bijzetting van een mummie van een priester uit de tijd van de 22e dynastie in een grafruimte die verzegeld werd tijdens de 21e dynastie.

 

Op 5 juli 1881 werd dicht bij de beroemde graftempel van farao Hatshepsoet, in Deir el-Bahri, een grafruimte geopend waarin 40 mummies bleken te liggen. Onder andere werden de mummies van de farao's Thoetmoses III, Seti I en Ramses II gevonden. Ze waren daar door priesters in veiligheid gebracht tijdens het bijzetten van hogepriester Pinodjem II. Zo hoopte men te voorkomen dat de mummies geschonden zouden worden door grafrovers. In een inscriptie wordt vermeld dat de bergplaats verzegeld werd in het tiende regeringsjaar van farao Siamoen (969 v. C.).

 

In de bergplaats werd ook de mummie van de priester Djed-ptah-ef-ankh gevonden. Volgens een inscriptie werd hij begraven in het 11e regeringsjaar van farao Sjosjenk I (935 v. C.). Volgens de gebruikelijke chronologie was dat 34 jaar na de verzegeling van het graf. Bovendien zou de doodskist van de priester, volgens aantekeningen die gemaakt werden toen de mummies uit de bergplaats gehaald werden om ze naar het Egyptisch Museum in Caïro over te brengen, achterin de bergplaats gevonden zijn. Een voor de hand liggende verklaring lijkt te zijn dat Sjosjenk I, de eerste farao van de 22e dynastie, regeerde voor Siamoen, de op één na laatste farao van de 21e dynastie.

 

3.Farao Osorkon II, die behoort tot de 22e dynastie, was bijgezet in een tombe in een grafruimte in Tanis die ouder is dan de daarnaast gelegen grafruimte waarin de tombes stonden van de farao's Psoesennes I en Amenemope, die behoren tot de 21e dynastie.

 

Volgens de gebruikelijke chronologie stierf Osorkon II 141 jaar na Psoesennes I, terwijl zijn tombe in een oudere grafruimte stond. De begrafenis van Psoesennes I wordt gedateerd in 991 v. C. en die van Osorkon II in 850 v. C.. Ook hier lijken de gebruikelijke dateringen van de farao's van de 21e en 22e dynastie onjuist te zijn.

 

Deze drie argumenten leveren echter geen bewijs dat de gebruikelijke Egyptische chronologie onjuist is. Er zijn namelijk aannemelijke verklaringen voor de gerezen vragen.

 

Verklaringen voor de problemen

 

1. De ontbrekende Apis-stieren.

 

Er zijn in het Serapeum geen tombes gevonden van Apis-stieren die bijgezet werden tussen ca. 1080 en 852 v. C.. Er is echter een bewijs dat in deze periode een Apis-stier gemummificeerd werd. In een inscriptie wordt vermeld dat de hogepriester van de tempel van Ptah in Memphis, waar de Apis-stier vereerd werd, tijdens Sjosjenk I (945-921 v. C.) een nieuwe tafel liet maken voor het balsemen van de heilige Apis-stieren. Er moet tijdens Sjosjenk I dus een Apis-stier gemummificeerd zijn, maar van deze stier is geen tombe gevonden in het Serapeum.

 

Tijdens farao Ramses XI (1098-1069 v. C.), de laatste farao van de 20e dynastie, werd een Apis-stier bijgezet. Tijdens de daarop volgende 21e dynastie ontbreekt ieder bewijs van het bijzetten van Apis-stieren in het Serapeum. Smendes (1069-1043 v. C.), de eerste farao van de 21e dynastie, vestigde in Tanis, in het noord-oosten van de Egyptische delta, zijn nieuwe hoofdstad. Hij brak met het eeuwenlang gebruik van het bijzetten van de overleden farao's in rotsgraven in het Dal der Koningen, op de westelijke Nijloever bij Thebe, in het zuiden van Egypte. De graftombes van de farao's van de 21e dynastie werden geplaatst in eenvoudige grafkelders in het tempelgebied van Tanis. Waarschijnlijk hebben de farao's van de 21e dynastie ook een andere plaats voor het bijzetten van de tombes van de Apis-stieren ingevoerd.

 

In het 23e regeringsjaar (852 v. C.) van Osorkon II, de vierde farao van de 22e dynastie, werd weer een Apis-stier bijgezet in een tombe in het Serapeum. Tijdens de volgende farao's van de 22e dynastie zijn regelmatig Apis-stieren bijgezet in het Serapeum, zoals blijkt uit inscripties op stèles.

 

2. De latere bijzetting van een mummie in de verzegelde bergplaats in Deir el-Bahri.

 

Na de verzegeling van de bergplaats moet deze heropend zijn om nog een mummie bij te zetten. Het ontruimen van de bergplaats in 1881 vond in grote haast plaats teneinde de mummies zo snel mogelijk in veiligheid te brengen. Als gevolg van de haast is waarschijnlijk de vindplaats van de doodskist van Djed-ptah-ef-ankh verkeerd vermeld.

 

3. De ouderdom van de grafkelder in Tanis waarin de tombe van farao Osorkon II werd aangetroffen.

 

Grafkelder I, waarin de tombe van Osorkon II werd aangetroffen, is eerder gebouwd dan de direct ten noorden ervan gelegen grafkelder III, terwijl in de laatste grafkelder farao's bijgezet zijn die eerder leefden dan Osorkon II. Duidelijk is te zien dat tijdens de bouw van grafkelder III gedeelten van de buitenmuur van de bestaande grafkelder I zijn weggehakt om ruimte te maken voor de zuidelijke muur van grafkelder III.

 

In de later gebouwde grafkelder III werden de tombes aangetroffen van de farao's Psoesennes I (gestorven in 991 v. C.) en Amenemope (gestorven in 984 v. C.), die volgens de gebruikelijke chronologie geruime tijd leefden voor Osorkon II (gestorven in 850 v. C.), wiens tombe stond in de eerder gebouwde grafkelder I.

 

De meest waarschijnlijke verklaring is dat grafkelder I gebouwd werd voor het bijzetten van Smendes (gestorven in 1043 v. C.) en bijna 200 jaar later in opdracht van Osorkon II ontruimd werd om te dienen als grafkelder voor zijn familieleden. Waarheen de graftombe van Smendes verplaatst werd, is niet bekend. In grafkelder I werden de tombes aangetroffen van Osorkon II, van zijn zoon en opvolger Takelot II (850-825 v. C.) en van prins Harnakht, een jong gestorven zoon van Osorkon II; verder een tombe waarin waarschijnlijk farao Sjosjenk V lag en een tombe van een niet geïdentificeerde farao. Takelot II werd bijgezet in een eerder gebruikte doodskist uit de tijd van het Midden Rijk (voor ca. 1800 v. C.). Zijn tombe stond in het voorvertrek voor de grafkamer van Osorkon II.

 

De periode van de 22e dynastie

 

Sjosjenk I (945-924 v. C.), de eerste farao van de 22e dynastie, wordt vrijwel algemeen gelijkgesteld met farao Sisak, die in 925 v. C., tijdens koning Rehabeam, een veldtocht maakte naar Palestina. Rohl wijst de gelijkstelling van farao Sjosjenk I met Sisak af. Sjosjenk I zou pas in ca. 800 v. C. de troon bestegen hebben. Een verschuiving van het begin van de 22e dynastie naar ca. 800 v. C. leidt echter tot een onoplosbaar probeem. Voor de negen generaties van de 22e dynastie is dan slechts ca. 85 jaar beschikbaar, omdat de 22e dynastie eindigde in 715 v. C..

 

De volgorde en het aantal generaties van de farao's van de 22e dynastie is onder andere af te leiden uit genealogische gegevens die vermeld worden op stèles in het Serapeum en in inscripties van enkele priesters. Een chronologische sleuteltekst is een inscriptie op een stèle van de priester Pasenhor waarin het bijzetten van een Apis-stier in het 37e jaar van een farao Oesimare Sjosjenk vermeld wordt.

 

Pasenhor blijkt af te stammen van de hogepriester Nimlot, een zoon van farao Oesimare Osorkon, zoon van farao Takelot, zoon van farao Osorkon, zoon van farao Sjosjenk, zoon van Nimlot, zoon van Sjosjenk.

 

Daar bij de vader en grootvader van de eerste Sjosjenk geen koninklijke titel vermeld wordt, moet hij Sjosjenk I zijn. Hogepriester Nimlot wordt ook genoemd in een inscriptie op een stèle daterend uit het 16e jaar van zijn vader, farao Oesimare Osorkon Si-Bast. Deze farao is dus Osorkon II en de andere in de genealogie genoemde farao Osorkon, de zoon van farao Sjosjenk, is Osorkon I.

 

Op een gedenkteken dat opgericht werd voor het overleden Lybische stamhoofd Nimlot, zoon van het stamhoofd Sjosjenk en zijn vrouw Mehtenweskhet, wordt een Sjosjenk genoemd die optreedt voor zijn overleden vader Nimlot. De laatste Sjosjenk is de toekomstige farao Sjosjenk I, een kleinzoon van het stamhoofd Sjosjenk, die getrouwd was met Mehtenweskhet, die ook als diens vrouw vermeld wordt in de inscriptie op de stèle van Pasenhor. De volgorde van de farao's Sjosjenk I, Osorkon I, Takelot I en Osorkon II kon zo vastgesteld worden.

 

Op een standbeeld van de Nijlgod komt een inscriptie voor van een hogepriester Sjosjenk, zoon van farao Sekhem-kheper-re Osorkon "wiens moeder is Maatkare, koningsdochter van Har-Psoesennes". Hogepriester Sjosjenk was dus een zoon van Osorkon I. Har-Psoesennes is farao Psoesennes II. De dochter van farao Psoesennes II, de laatste farao van de 21e dynastie, huwde met Osorkon I, de zoon van Sjosjenk I, de eerste farao van de 22e dynastie.

 

Hogepriester en prins Osorkon vermeldt in een genealogie dat zijn vader, Hedj-kheper-re Setepenre Takelot, de opvolger was van farao Osorkon Si-Bast en dat de genoemde farao Takelot werd opgevolgd door farao Oesimare Sjosjenk. De laatste wordt Sjosjenk III genoemd, omdat tijdens farao Osorkon I diens zoon Sjosjenk II gedurende korte tijd mederegent was. Takelot, zoon en opvolger van farao Osorkon Si-Bast, is farao Takelot II.

 

Op een stèle uit het 28e jaar van farao Oesimare Sjosjenk (III) wordt een Pediese genoemd, een achterkleinzoon van Osorkon II. De vader van Pediese, prins Takelot, was volgens verschillende inscripties een tijdgenoot van farao Sjosjenk III. Pediese wordt ook genoemd op een stèle uit het tweede jaar van farao Pimay waarin de begrafenis wordt vermeld van de Apis-stier die 26 jaar eerder, in het 28e jaar van Sjosjenk III, ingewijd was. Pimay besteeg dus 25 jaar na het 28e jaar van Sjosjenk III de troon. Als Pimay de opvolger was van Sjosjenk III heeft de laatste dus 52 jaar geregeerd.

 

Het hoogste aantal regeringsjaren dat in een inscriptie voor Sjosjenk III vermeld wordt, is 39. In een tekst op een papyrus die zeer waarschijnlijk dateert uit de 22e dynastie, wordt een jaar vier vermeld en verwezen naar een eerder jaar 49. In beide gevallen wordt de farao niet vermeld. Waarschijnlijk wordt het 49e jaar van Sjosjenk III bedoeld en dateert de tekst uit het vierde jaar van Pimay. Waarschijnlijk regeerde Sjosjenk III 52 jaar en werd hij opgevolgd door Pimay. Het is mogelijk dat tussen Sjosjenk III en Pimay een andere farao nog gedurende 13 jaar regeerde. Voor de lengte van de periode van de 22e dynastie maakt dat niet uit.

 

Op een stèle uit het 11e jaar van farao A-kheper-re Sjosjenk wordt de bijzetting van een Apis-stier genoemd. Vermeld wordt dat deze farao een zoon is van farao Pimay. Deze farao wordt Sjosjenk V genoemd, omdat eerder een Sjosjenk IV van de 23e dynastie, een zijlinie van de 22e dynastie, regeerde. Op een stèle wordt vermeld dat tijdens het 37e jaar van Sjosjenk V een Apis-stier werd bijgezet (731 v. C.).

 

In 728 v. C. trok de Nubische farao Pianchi, die al de macht had over het zuiden van Egypte, op tegen vier farao's die tegelijk regeerden in het midden en het noorden van Egypte en een verbond hadden gesloten. Pianchi behaalde een overwinning op de samenwerkende farao's. Na zijn veldtocht trok hij terug naar Nubië. In een inscriptie op een stèle, die in het 21e regeringsjaar van Pianchi (727 v. C.) werd opgericht in de Nubische hoofdstad Napata, wordt zijn overwinning op de vier farao's beschreven. Vermeld wordt een farao Osorkon die regeerde in Ro-nefer, het oostelijk deel van de delta. Bedoeld kan niet zijn Osorkon III van de 23e dynastie, omdat deze regeerde in Leontopolis, in het midden van de delta. Bovendien wordt in de inscriptie op de stèle van Pianchi een farao Ioepoet vermeld, die regeerde in Taremoe (Leontopolis) in het midden van de delta.

 

Osorkon in Ro-nefer was dus de opvolger van Sjosjenk V. In een inscriptie op een verguld schild wordt een farao Osorkon genoemd en een Tadibast, de vrouw en de moeder van een farao. De moeders van de drie andere farao's Osorkon hadden andere namen. Deze Osorkon moet farao A-kheper-re Osorkon, zoon van Sjosjenk V en zijn vrouw Tadibast, zijn. De volgorde van de farao's na Osorkon II: Takelot II, Sjosjenk III, Pimay, Sjosjenk V en Osorkon IV kon zo vastgesteld worden.

 

Dynastie 23

 

Vanaf het achtste jaar van Sjosjenk III (818 v. C.) trad diens jongere broer Pedoebast naast zijn broer op als farao. Pedoebast vestigde de 23e dynastie in Leontopolis, in het midden van de Egyptische delta, die tegelijk regeerde met de vier laatste farao's van de 22e dynastie. In Leontopolis (Taremoe) is een bronzen deurscharnier gevonden met de naam erop van farao Ioepoet I, een zoon van Pedoebast.

 

De Nubische farao Pianchi stierf in 716 v. C.. Hij werd opgevolgd door zijn broer Sjabako, die in 715 v. C. het noorden van Egypte veroverde. Hij regeerde als eerste farao van de 25e dynastie over geheel Egypte. In 715 v. C. kwam er een eind aan de 22e en de 23e dynastie.

 

Hogepriesters in de tempel van Karnak

 

We kennen de namen en de volgorde van alle hogepriesters van de tempel van Amon in Karnak tijdens de 21e dynastie. Herihor was hogepriester tegen het eind van de regering van Ramses XI, de laatste farao van de 20e dynastie. De opvolger van Herihor was zijn zoon Pianch (1074-1070 v. C.), die opgevolgd werd door zijn zoon Pinodjem I. Daarna volgden nog zes hogepriesters gedurende drie generaties. In de meeste gevallen kan op grond van een inscriptie vastgesteld worden in welk regeringsjaar van een farao een hogepriester aantrad.

 

De namen en de volgorde van de hogepriesters tijdens de eerste zeven farao's van de 22e dynastie zijn ook bekend. Binnen de aaneengesloten reeks van hogepriesters tijdens de 21e dynastie is er geen tijdsruimte voor hogepriesters tijdens de 22e dynastie. De meeste farao's van de 22e dynastie stelden één van hun zonen aan als hogepriester. Sjosjenk I wees in het begin van zijn regering zijn zoon Ioepoet aan. Ook de meeste opvolgers van Sjosjenk I wezen één van hun zonen aan als hogepriester om te voorkomen dat in Karnak een dynastie van hogepriesters zou ontstaan.

 

Tijdens de 21e dynastie traden andere personen als hogepriester op dan tijdens de eerste zeven farao's van de 22e dynastie. Daarom is het gelijktijdig dateren van beide dynastieën onmogelijk.

 

De tijdsruimte voor de 22e dynastie

 

De tien farao's van de 22e dynastie regeerden van 945 tot 715 v. C. gedurende negen generaties. Een periode van 230 jaar is in overeenstemming met negen generaties. Het aantal regeringsjaren dat wordt toegekend aan de farao's van de 22e dynastie is in de meeste gevallen het hoogst genoemde aantal dat bekend is uit een inscriptie. Dat geldt niet voor Osorkon I, Takelot I en Osorkon IV. Het hoogst vermelde aantal regeringsjaren voor Osorkon I is tien jaar. In een inscriptie op een mummie wordt een 33e regeringsjaar vermeld zonder dat de farao genoemd wordt. De mummie had een armband om waarop de naam van Osorkon I vermeld wordt. Waarschijnlijk is het 33e regeringsjaar van Osorkon I bedoeld.

 

Het hoogste aantal regeringsjaren van Takelot I dat zeker is, is vijf. In een Nijlstand-tekst uit Thebe is een 13e of 14e regeringsjaar vermeld zonder dat een farao genoemd wordt. Gezien de vermelde hogepriester betreft het waarschijnlijk een regeringsjaar van Takelot I. Er is geen vermelding van een regeringsjaar van Osorkon IV gevonden. Hij wordt genoemd op de stèle van Pianchi die dateert uit 727 v. C. en zal tot 715 v. C. geregeerd hebben, dus minstens 12 jaar.

 

Gezien de onzekerheid over het aantal regeringsjaren van drie farao's is het in theorie mogelijk om de periode van de 22e dynastie met ca. 40 jaar in te korten tot ca. 190 jaar. Volgens Rohl begint de 22e dynastie in ca. 800 v. C.. De 22e dynastie eindigde in 715 v. C.. In de nieuwe chronologie is voor de 22e dynastie, een periode van negen generaties en minstens 190 jaar, slechts 85 jaar beschikbaar.

 

Negen generaties

 

In de nieuwe chronologie zou Merenptah, de opvolger van Ramses II, geregeerd hebben van 866-856 v. C.. Voor de periode vanaf de dood van Merenptah tot het begin van de regering van Sjosjenk I, die volgens Rohl regeerde van ca. 800 tot 775 v. C., is dan slechts ca. 60 jaar beschikbaar.

 

Volgens de gebruikelijke chronologie regeerden na Merenptah nog vier farao's van de 19e dynastie gedurende 17 jaar, daarna tien farao's van de 20e dynastie gedurende 117 jaar, en vervolgens zeven farao's van de 21e dynastie gedurende 124 jaar. Volgens Rohl viel de 21e dynastie samen met de 22e. Dan nog dient de periode tussen Merenptah en het begin van de regering van Sjosjenk I ingekort te worden van 134 tot ca. 60 jaar.

 

De periode van de vier laatste farao's van de 19e dynastie kan niet korter geduurd hebben dan tien jaar, terwijl Ramses III 31 jaar en Ramses XI 29 jaar regeerde. Ook de regeringstijd van de meeste andere farao's van de 20e dynastie staat vast. Dat vereist in totaal een tijdsruimte van enige tientallen jaren.

 

Ook uit de stamboom van Ankh-ef-en-khons, een tijdgenoot van Osorkon I, zoon van Sjosjenk I, blijkt dat er tussen de dood van Merenptah en het begin van de regering van Sjosjenk I aanzienlijk meer tijd lag dan 60 jaar. Negen generaties voor Ankh-ef-en-khons leefde namelijk een priester Ipoey, die dienst deed tijdens de begrafenis van farao Merenptah.

 

Merenptah regeerde volgens de nieuwe chronologie tot 856 v. C. en Osorkon I vanaf ca. 775 v. C.. Zelfs bij een laag gemiddelde van 20 jaar per generatie duurt een periode van negen generaties 180 jaar, terwijl in de nieuwe chronologie slechts ca. 100 jaar beschikbaar is.

 

De veldtocht van Sisak

 

In het vijfde regeringsjaar van koning Rehabeam (925 v. C.) maakte farao Sisak een veldtocht naar Palestina. In 1 Koningen 14:25-28 en 2 Kronieken 12:2-9 wordt alleen het gedeelte van de veldtocht tegen Juda vermeld, omdat de schrijvers uitsluitend belangstelling hadden voor de geschiedenis van dat koninkrijk. In de gebruikelijke chronologie wordt Sisak gelijkgesteld met Sjosjenk I. Taalkundig bestaat er volledige overeenstemming tussen de Egyptische naam Sjosjenk en de Hebreeuwse weergave Sisak. Volgens Rohl was Sjosjenk I niet Sisak, omdat het verslag van zijn veldtocht niet zou overeenkomen met wat in de Bijbel staat over de veldtocht van Sisak.

 

Sjosjenk I heeft zijn veldtocht naar Palestina laten afbeelden op een muur van het Boebastis-poortgebouw in de tempel van Amon in Karnak. In het verslag van de veldtocht zijn de bezette steden afgebeeld als gevangenen met op hun lichamen ovalen waarin de naam staat van een stad. In totaal worden ca. 150 bezette steden of forten vermeld. In de rijen plaatsnamen zijn vele namen onleesbaar geworden, maar in de rij waarin steden in de omgeving van Jeruzalem vermeld zijn, waaronder Ajalon, Beth-Horon en Gibeon, zijn alle namen leesbaar en in die rij ontbreekt Jeruzalem. Is dat een bewijs dat het verslag van Sjosjenk I niet gaat over de veldtocht van Sisak? Er is geen sprake van een tegenstelling tussen de beide verslagen. Jeruzalem werd niet veroverd door Sisak.

 

In het verslag van Sjosjenk I worden tientallen veroverde Judese forten in de Negev vermeld en de Judese steden Gezer, Ajalon, Beth-Horon en Gibeon. Nadat tal van forten en steden en in zijn rijk bezet waren, besloot Rehabeam in te gaan op de eis van Sisak om een schatting te betalen. Rehabeam stond al het goud en zilver uit de schathuizen van de tempel en het paleis af aan Sisak, die daarna afzag van een belegering van Jeruzalem. Na de bekering van Rehabeam bracht de profeet Semaja de volgende boodschap van God over aan de koning:

 

"Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verdelgen, maar hun spoedig uitredding geven, zodat Mijn toorn zich niet over Jeruzalem zal uitstorten door de hand van Sisak" (2 Kron. 12:7). Duidelijk blijkt daaruit dat Jeruzalem niet veroverd werd. Terecht wordt Jeruzalem niet als veroverde stad vermeld in het verslag van Sjosjenk I.

 

Veroverde Ramses II Jeruzalem?

 

Volgens Rohl was Ramses II de in de Bijbel genoemde farao Sisak. In de nieuwe chronologie wordt Ramses II gedateerd van 932-866 v. C.. De veldtocht die Ramses II in zijn achtste regeringsjaar maakte, zou de in de Bijbel beschreven veldtocht van Sisak zijn. In het verslag van deze veldtocht van Ramses II wordt ondere andere de verovering van Shalem vermeld. Volgens Rohl is Shalem Jeruzalem. In het verslag van Ramses II volgt de verovering van Shalem op die van Merom, terwijl verder de bezetting van Kerep, in het gebergte Beth-Anath, en van Akko, Kana en Yenoam wordt genoemd. Uit de geografische context blijkt dat Shalem in Galilea lag. Het doel van deze veldtocht was het onderwerpen van enige opstandige steden in Galilea. Daarna trok Ramses II verder naar het noorden en veroverde de steden Dapoer en Toenip, beide gelegen ten westen van Hamath, aan de middenloop van de Orontes, in het westen van Syrië.

 

Seti I, de vader van Ramses II, regeerde volgens de nieuwe chronologie van 947-932 v. C.. Seti I maakte in zijn eerste regeringsjaar een veldtocht naar Palestina en liet in Beth-Sean een stèle oprichten waarop vermeld wordt dat de bestuurder van Hamath de stad Beth-Sean had ingenomen en samen met de stad Pella de ten zuiden van Beth-Sean gelegen stad Rehob had omsingeld. Egyptische legereenheden namen Hamath, Beth-Sean en Yanoam in.

 

Op een stèle die Seti I in zijn tweede of derde jaar liet oprichten in Beth-Sean wordt vermeld dat hij streed tegen Habiroe. Daarna herstelde hij het Egyptisch gezag in Damascus en in Koemidi, een stad in de Beqaa-vallei, tussen het Libanon- en Anti-Libanongebergte. Op de terugweg naar Beth-Sean liet Seti in Tell-es-Shihab (ten zuidwesten van Asteroth-Qarnaïm) een stèle oprichten.

Als de nieuwe chronologie juist zou zijn, dan zou Seti I tijdens de regering van Salomo in diens rijk lange veldtochten hebben gemaakt en daar steden veroverd hebben.

 

Gevolgen voor de chronologie van andere staten

 

Als de dateringen van Ramses II met ca. 350 jaar verschoven worden, dan geldt dat ook voor de dateringen van de koningen van Assyrië, Babylonië en het Hethietenrijk, in verband met de vele contacten tussen Ramses II en koningen van die rijken.

 

Ramses II leverde in 1275 v. C. bij Kades, een stad aan de Orontes, een veldslag tegen het leger van koning Moewatallis II (ca. 1295-1272 v. C.) van het Hethietenrijk. Na de dood van Moewatallis regeerde diens zoon Moersilis III. Na zeven jaar nam zijn oom Hattoesilis III (ca. 1265-1235 v. C.), een jongere broer van Moewatallis III, de macht over en verbande Moersilis van het hof. Hattoesilis sloot een verbond met koning Kadashman-Toergoe van Babylonië. In het 18e jaar van Ramses II (1262 v. C.) vluchtte Moersilis naar Egypte. Hattoesilis vroeg de uitlevering van zijn neef, wat Ramses II weigerde. Kadashman-Toergoe van Babylonië brak de relatie met Egypte af en bood Hattoesilis aan met hem op te trekken tegen Egypte wat Hattoesilis afwees. Er ontstond een ernstige crisis. Ramses II mobiliseerde zijn leger en trok naar het noorden van Palestina. Hij liet een stèle oprichten in Beth-Sean (begin 1261 v. C.).

 

Hattoesilis begon onderhandelingen over vrede. In het 21e jaar van Ramses II werd vrede gesloten (1259 v. C.). Ramses II schreef daarna tal van brieven aan Hattoesilis. In het 34e jaar van Ramses II werd de vrede bezegeld met een huwelijk tussen een dochter van Hattoesilis III en Ramses II. Deze feiten worden vermeld in Egyptische inscripties en op kleitabletten die gevonden zijn in Hattoesas, de hoofdstad van het Hethietenrijk.

 

Een zoon van Hattoesilis III schreef een brief aan de Assyrische koning Toekoelti-Ninoerta I (1235-1198 v. C.). Uit die brief blijkt dat Moersilis III een brief schreef aan Salmanassar I van Assyrië, de vader van Toekoelti-Ninoerta. Kadashman-Toergoe van Babylonië correspondeerde met Hattoesilis III, terwijl de laatste een brief schreef aan Kadashman-Enlil, de opvolger van Kadashman-Toergoe.

 

De geschiedenissen van Egypte, Assyrië, Babylonië en het Hethietenrijk zijn dus tijdens Ramses II nauw met elkaar verbonden. Een verschuiving van ca. 350 jaar in de Egyptische chronologie zou leiden tot een even grote verschuiving van de dateringen van de koningen van de andere staten. Als we de gevolgen daarvan nagaan, wordt duidelijk dat zo'n verschuiving onmogelijk is.

 

Gevolgen voor de Assyrische chronologie

 

Voor de Assyrische chronologie zou een verschuiving van alle dateringen met ca. 350 jaar tot gevolg hebben dat een periode van honderden jaren uit de geschiedenis verdwijnt. Adadnirari I zou geregeerd hebben van 950-918 v. C., zijn zoon Salmanassar I van 918-888 v. C. en diens zoon Toekoelti-Ninoerta I van 888-851 v. C.. Ze waren tijdgenoten van Ramses II en worden genoemd in inscripties die dateren uit zijn tijd. Na Toekoelti-Ninoerta I volgde een periode van verzwakking van Assyrië gedurende ruim 80 jaar waarin zeven koningen optraden. Enkele koningen regeerden tegelijk en het aantal regeringsjaren van sommige koningen is niet zeker.

 

Daarna volgde een krachtig herstel van Assyrië tijdens Tiglath-Pileser I (1116-1077 v. C.) die 39 jaar regeerde en vele veldtochten maakte. Het is onmogelijk de periode van verzwakking die aan zijn regering vooraf ging verder in te korten dan tot 30 jaar. In dat geval zou Tiglath-Pileser I volgens de nieuwe chronologie geregeerd hebben van ca. 820-780 v. C., terwijl het vast staat dat toen andere koningen in Assyrië regeerden.

 

De Assyrische chronologie vanaf 912 v. C. staat vast. Toen begon de regering van Adadnirari II (912-891 v. C.). Zijn vader, Assoerdan II, regeerde van 935-912 v. C.. Het is zeker dat in Assyrië sinds 935 v. C. andere koningen regeerden dan er volgens de nieuwe chronologie aan de macht zouden zijn.

 

Assyrische chronologie zeker vanaf 912 v. C.

 

De Assyrische chronologie sinds 912 v. C. staat vast op grond van 'limmoelijsten' waarin per jaar de naam van de hoogste ambtenaar (limmoe) in Assyrië wordt vermeld en soms een belangrijke gebeurtenis die zich voordeed. Er zijn limmoelijsten bekend vanaf 911 tot en met 631 v. C.. De dateringen in deze lijsten kunnen vastgesteld worden met behulp van de Canon van Ptolemaeus, geschreven in de tweede eeuw na Christus. Van 747 tot 631 v. C. vallen de limmoelijsten samen met de dateringen in de Canon.

 

De Canon begint met de dateringen genoemd van de koningen die vanaf 747 v. C. regeerden over Babylonië. Onder hen waren ook enige Assyrische koningen, zoals Sargon II, die in zijn 13e regeringsjaar koning van Babylonië werd. Ptolemaeus vermeldt in zijn Almagest 80 astronomische gegevens, zoals zonsverduisteringen en maansverduisteringen, met daarbij het regeringsjaar waarin ze plaatsvonden. Bij narekening bleken de astronomische verschijnselen zich voorgedaan te hebben in het jaar dat Ptolemaeus noemt.

 

Bij het tiende regeringsjaar van Assoerdan III wordt in een limmoelijst vermeld dat in de maand Sivan (mei/juni) een zonsverduistering plaatsvond. Het tiende jaar van Assoerdan II is op grond van de dateringen in de Canon 763 v. C.. Inderdaad vond op 15 juni 763 v. C. in Mesopotamië een zonsverduistering plaats.

 

Voor de Assyrische koningen Salmanassar I, Toekoelti-Ninoerta l en Tiglath-Pileser I, in totaal ca. 106 jaar, is geen ruimte in de nieuwe chronologie. In de nieuwe chronologie moet Tiglath-Pileser I gedateerd worden van ca. 820-780 v. C., terwijl in deze jaren ook andere koningen over Assyrië regeerden. Na Tiglath-Pileser I volgen in de Assyrische koningslijsten nog negen koningen tot Assoerdan II voor wie geen ruimte is. De meeste van hen werden door een zoon opgevolgd. Het betreft minstens zes generaties. Deze koningen regeerden volgens de gebruikelijke chronologie van 1077-935 v. C., dus 142 jaar. Deze periode is hoogstens in te korten tot 130 jaar. In de nieuwe chronologie ontbreekt voor Assyrië in totaal een tijdsruimte van minstens 270 jaar.

 

Voor koningen die regeerden in Babylonië heeft een verschuiving met ca. 350 jaar soortgelijke gevolgen.

 

De Amarna-brieven

 

Ook de Amarna-brieven krijgen bij Rohl een nieuwe plaats in de tijd. De kleitabletten waarop deze brieven zijn geschreven, werden in 1887 gevonden in Tell el-Amarna, in midden-Egypte, in de ruïnes van Achet Aton, de hoofdstad van Egypte tijdens farao Amenhotep IV (Achnaton, 1353-1337 v. C.). De ongeveer 380 brieven waren afkomstig van koningen van grote staten in het Nabije Oosten en van bestuurders van steden in Palestina, Fenicië en Syrië, die onder Egyptisch gezag stonden.

 

Sommige brieven zijn gericht aan farao Amenhotep III, andere aan zijn zoon Amenhotep IV, en enkele waarschijnlijk aan Toetanchamon. Amenhotep IV had ook brieven uit de laatste jaren van zijn vader naar Achet Aton laten overbrengen. Bijna alle Amarna-brieven zijn geschreven in het Assyrisch-Babylonisch (Akkadisch), de internationale diplomatieke taal in de 14e eeuw v. C..

 

De Amarna-brieven uit Palestina zijn afkomstig uit ca. 20 verschillende steden. In vele brieven deden stadsbestuurders een dringend verzoek aan de farao om hulp, omdat hun steden bedreigd werden door de 'Habiroe' of door bestuurders van steden die met hen samenwerkten. De Amarna-brieven worden gedateerd van ca. 1360-1335 v. C.. In de nieuwe chronologie wordt Amenhotep IV gedateerd van 1006-990 v. C. en de Amarna-brieven van ca. 1015-990 v. C., tijdens de laatste jaren van koning Saul (1042-1011 v. C.) en de eerste helft van de regering van koning David (1011-971 v. C.).

 

Was Saul Labayoe?

 

Enkele Amarna-brieven werden geschreven door Labayoe, bestuurder van Sichem, die regeerde over een uitgestrekt gebied in het heuvelland ten noorden van Jeruzalem. Daar Saul over ongeveer hetzelfde gebied regeerde, moet Labayoe, volgens Rohl, koning Saul zijn. Uit de inhoud van de brieven van Labayoe aan farao Amenhotep III blijkt duidelijk dat deze gelijkstelling onhoudbaar is.

 

In de eerste brief van Labayoe die bekend is, verweerde hij zich tegen klachten van andere stadsbestuurders over hem (brief 252). Labayoe gaf toe dat hij Gezer binnengetrokken was. Hij schreef dat hij niet wist dat zijn zoon samenwerkte met de Habiroe (brief 254). Labayoe veroverde steden die onder bescherming van de farao stonden en belegerde Megiddo. Abdi-Heba, de bestuurder van Jeruzalem, klaagde erover dat Labayoe het gehele gebied van Sichem aan de Habiroe gegeven had (brief 289). Tenslotte beval farao aan enige stadsbestuurders om Labayoe gevangen te nemen en naar Egypte over te brengen.

 

Biridiya, bestuurder van Megiddo, schreef aan farao dat Zoerata, bestuurder van Akko, Labayoe nadat hij gevangen genomen was, zou meenemen naar Akko om hem vandaar per schip naar Egypte over te brengen. Labayoe betaalde echter een omkoopsom aan Zoerata en werd vrijgelaten (brief 245). Later werd Labayoe gedood door inwoners van Gina, waarschijnlijk Beth-Hagan (Jenin), in het noorden van het centrale heuvelland. Dit deelden twee zonen van Labayoe mee aan Baloe-Oer.Sag. Hij meldde aan farao dat de twee zonen van Labayoe het land van de farao bleven binnenvallen. Baloe-Oer.Sag vroeg farao een hoge ambtenaar te zenden naar Biryawaza (koning van Damascus) en hem op te dragen op te trekken tegen de zonen van Labayoe (brief 250).

 

Het beeld dat we in de Amarnabrieven krijgen van Labayoe en van de situatie in Palestina verschilt totaal met wat we in de Bijbel lezen over koning Saul en de toenmalige toestand in Palestina. Labayoe was bestuurder van Sichem. Saul leefde in de omgeving van Gibeon. Labayoe werd gedood door inwoners van Gina. Saul pleegde zelfmoord na zijn nederlaag tegen de Filistijnen aan de voet van het gebergte van Gilboa (1 Sam. 31:4). Drie van zijn vier zonen sneuvelden tijdens de slag (1 Sam. 31:2). In verschillende brieven die dateren van na de dood van Labayoe is sprake van zijn twee zonen. Zij werkten samen met de Habiroe en gaven hen land (brief 287).

 

Moet-Baloe, een zoon van Labayoe, was bestuurder van Pella (brief 255). Na de dood van Saul werd Isboset, de enige zoon die nog in leven was, koning in Mahanaïm (2 Sam. 2:8). Biridiya schreef dat de zonen van Labayoe geld aan de Habiroe gegeven hadden om oorlog tegen hem te voeren (brief 246).

 

Tijdens Amenhotep IV was er sprake van de aanwezigheid van Egyptische hoge ambtenaren in Palestina. In de tijd van koning Saul bestond daar een geheel andere situatie. In de Amarna-brieven komen de Filistijnen niet voor, terwijl Saul gedurende zijn gehele regering tegen de Filistijnen moest strijden (1 Sam. 14:52).

 

Resultaten van opgravingen

 

Het dateren van een opgravingslaag vindt plaats op grond van aangetroffen aardewerk en van vondsten van voorwerpen die afkomstig zijn uit Egypte en is dus afhankelijk van de Egyptische chronologie. In de nieuwe chronologie verschuiven daarom ook de dateringen van de archeologische tijdvakken met ca. 350 jaar, zodat Laat Brons duurt van ca. 1150 tot ca. 850 v. C.. De dateringen van de Isralitische koningen blijven echter gehandhaafd. De nieuwe chronologie leidt daardoor tot onoplosbare problemen, zoals blijkt uit enkele voorbeelden.

 

Hazor

 

De laatste Kanaänitische stad Hazor werd verwoest aan het eind van Laat Brons (ca. 1200 v. C.). Een klein gedeelte van Hazor lag op de tell, terwijl er een grote benedenstad was. De laatste Kanaänitische laag in de benedenstad is laag 1a, daterend uit de 13e eeuw v. C.. Daarvoor bestond laag 1b, daterend uit de 14e eeuw v. C.. Uit vondsten van Kanaänitische religieuze voorwerpen blijkt dat zowel laag 1a als 1b Kanaänitisch waren.

 

In de stad van laag 1b werd een tempel gebouwd die na de verwoesting van deze laag werd herbouwd. In laag 1a werd een altaar gevonden met op één kant daarvan een symbool van de Kanaänitische stormgod, een cirkel met daarbinnen een kruis. Buiten de tempel werden gedeelten van een standbeeld van een Kanaänitische god gevonden op wiens borst ook het symbool van de stormgod was aangebracht.

 

De laatste Kanaänitische laag in de bovenstad is laag XIII, die dateert uit dezelfde tijd als laag 1a in de benedenstad. Laag XIII werd ook verwoest aan het eind van Laat Brons. Boven deze laag bevinden zich twee (jongere) lagen met restanten van kleine Israëlitische dorpen (de lagen XII en XI). In de daarboven gelegen laag X zijn overblijfselen gevonden van de eerste Israëlitische stad, die rondom versterkt was met een zware muur en gedateerd wordt in de tijd van Salomo (972-931 v. C.), die Hazor liet herbouwen (1 Kon. 9:15). In de nieuwe chronologie zou Hazor nog tot ca. 850 v. C. een Kanaänitische stad geweest zijn en zou de stad niet tijdens Salomo herbouwd zijn.

 

Megiddo

 

In de resten van laag VIIB in Megiddo is een voetstuk van een standbeeld van Ramses VI (1143-1136 v. C.) gevonden. Het voetstuk moet begraven zijn kort voor de verwoesting van de stad van laag VIIA. Elders was toen de IJzertijd al begonnen, maar in de Kanaänitische steden bleef de Laat Brons-cultuur nog gedurende ongeveer een halve eeuw tegelijk met de

 IJzer I- cultuur bestaan.

 

Uit de vondst van het voetstuk van het standbeeld van Ramses VI en de vondsten van andere voorwerpen die uit Egypte afkomstig waren, blijkt dat Megiddo volgens de gebruikelijke chronologie nog tot ca. 1140 v. C. onder Egyptisch gezag stond. In de nieuwe chronologie zou Megiddo nog tot ca. 840 v. C. onder Egyptische gezag gestaan hebben en zou de stad niet herbouwd zijn tijdens koning Salomo.

 

Dor

 

Dor was tot het eind van Laat Brons een Kanaänitische stad. In het begin van de 12e eeuw v. C. werd de stad veroverd door de Tjeker (Sikels), één van de Zeevolken en verwant met de Filistijnen. In laag XII (ca. 1180-1050 v. C.) werd onder andere aardewerk gevonden van hetzelfde type als wat opgegraven is in Filistijnse steden, maar ook ander aardewerk. De Tjeker maakten slechts een klein deel van de bevolking uit. Onder laag XI is een dikke laag as afkomstig van de verwoesting van laag XII gevonden. Daaruit blijkt dat de stad van de Tjeker tijdens een hevige brand verwoest werd. Waarschijnlijk werd de stad in ca. 1050 v. C. veroverd door de Feniciërs, die zich in de tweede helft van de 11e eeuw v. C. vestigden in Dor. De Feniciërs maakten in die tijd het grootste deel van de bevolking in de stad uit, zoals blijkt uit het gevonden aardewerk in de lagen IX, X en XI (ca. 1050-1000 v. C.). In ca. 1000 v. C. werd de stad veroverd door koning David en werd Dor een Israëlitische stad (laag VIII).

 

Uit het reisverslag van de Egyptische ambtenaar Wen-Amon weten we dat Dor voor de komst van de Feniciërs beheerst werd door de Tjeker (Sikels). Wen-Amon werd in het 23e jaar van Ramses XI (1075 v. C.) naar Byblos gezonden om cederhout in te kopen voor de bouw van een heilig schip voor de god Amon. Wen-Amon voer eerst naar Dor, waar de Tjeker aan de macht waren. Hij werd in Dor beroofd van zijn geld door één van de zeelieden die van het schip sprong. De koning van Dor weigerde medewerking om de dief te vangen.

 

In de nieuwe chronologie moet Ramses XI gedateerd worden van ca. 830-800 v. C.. Dan zou in die tijd in Dor nog een koning van de Tjeker geregeerd hebben. Daarna zou nog gedurende ca. 50 jaar een Fenicische periode gevolgd zijn, zodat Dor pas na ca. 750 v. C. een Israëlitische stad werd. In de tijd van Salomo was het gebied rond Dor echter al een Israëlitisch district met een landvoogd (1 Kon. 4:11).

 

Askelon en Asdod

 

In opgravingslagen in Askelon die dateren uit het eind van Laat Brons is van Filistijns aardewerk nog geen sprake. De laatste Kanaänitische laag in Askelon dateert van voor de regering van Ramses III (1184-1153 v. C.). Daarna volgt een laag uit het begin van de regering van Ramses III met het eerste Filistijns aardewerk. De laatste Kanaänitische laag in Asdod (laag XIV), aan het eind van Laat Brons, werd ca. 20 jaar voor het begin van de regering van Ramses III verwoest. Daarna volgen de lagen XIIIB en XIIIA waarin het eerste Filistijns aardewerk gevonden is. Waarschijnlijk vestigde een kleine groep Filistijnen zich al voor het begin van de regering van Ramses III in Asdod. Ramses III streed in zijn achtste regeringsjaar (1177 v. C.) in het oosten van de Egyptische delta tegen de Zeevolken, waaronder de Filistijnen. Deze slag liet hij afbeelden op een muur van de tempel van Medinet Haboe.

 

 

Volgens de nieuwe chronologie zou Ramses III geregeerd hebben vanaf ca. 850 v. C.. De Filistijnen zouden zich dan pas na ca. 840 v. C. in Askelon en Asdod gevestigd hebben, terwijl uit de Bijbel bekend is dat deze steden al minstens 200 jaar daarvoor, in de tijd van Samuël, door Filistijnen bewoond werden (1 Sam. 6:17).

 

Conclusie

 

Er zouden meer voorbeelden van resultaten van opgravingen genoemd kunnen worden waaruit blijkt dat een verschuiving van de dateringen van de archeologische tijdvakken met ca. 350 jaar niet mogelijk is. De voorbeelden die vermeld werden, maken dat al voldoende duidelijk.

 

De bewering dat de gebruikelijke Egyptische chronologie onjuist is en dat resultaten van opgravingen daarom geen concrete onderbouwing hebben opgeleverd voor de vroegste geschiedenis van Israël zoals die in de Bijbel beschreven wordt, is onhoudbaar.

 

In menig artikel in Bijbel, Geschiedenis en Archeologie is aangetoond dat gegevens in de Bijbel in overeenstemming zijn met resultaten van archeologisch onderzoek dat gebaseerd is op de gebruikelijke dateringen. Tal van resultaten van opgravingen zijn echter niet in te passen in de chronologie van David Rohl.

 

Er zijn in de gebruikelijke chronologie beperkte wijzigingen mogelijk, maar gezien het feitenmateriaal waarop het gehele chronologische systeem van het Oude Nabije Oosten berust - waaronder inscripties en astronomische gegevens - en gezien de vele synchronismen tussen de geschiedenis van Egypte en die van andere landen in het Nabije Oosten zullen deze wijzigingen slechts verfijningen van beperkte omvang betreffen.

Laatste update: 16  april 2019