De Merenptah-stèle en het ontstaan van Israël

 

Eén van de intrigerende vragen in de archeologie van het Oude Nabije Oosten is de vraag hoe het volk Israël is ontstaan. Volgens de Bijbel heeft God de nakomelingen van Abraham uitgekozen tot Zijn volk, hen uitgeleid uit Egypte en hen het land Kanaän in bezit gegeven. Hiertegenover zijn inmiddels vele theorieën gesteld om te proberen de oorsprong van Israël op een andere wijze verklaren. Bij de beoordeling van deze theorieën kan de stèle van farao Merenptah (1213-1203 v. C) een belangrijke rol spelen, omdat in een inscriptie op deze stèle melding wordt gemaakt van een Egyptische overwinning op het volk Israël. De tekst op de stèle heeft tot dusver onvoldoende aandacht gekregen. Recent onderzoek ervan werpt nieuw licht op het ontstaan van de Israëlieten. De resultaten ervan kunnen gezien worden als een bevestiging van wat de Bijbel vertelt.

 

Het ontstaan van Israël volgens de Bijbel

 

De Bijbel beschrijft Gods handelen met de mensen in de geschiedenis. Zo vermeldt de Bijbel dat het volk Israël na een verblijf van 430 jaar in Egypte en Kanaän (volgens Ex. 12:40 in de Septuagint-tekst;1 zie ook Gal. 3: 16 en 17) door God werd uitgeleid uit Egypte, en dat 440 jaar later (1 Kon. 6:1 in de Septuagint-tekst) begonnen werd met de bouw van de tempel, in het vierde regeringsjaar van koning Salomo. Hieruit kan - op basis van een datering van de regering van Salomo op 971-931 v. C. en het gegeven dat het jaar van de Uittocht tevens het sterfjaar was van een farao - worden afgeleid dat de Uittocht plaatsvond in het jaar 1401 v. C. (sterfjaar van farao Amenhotep II).

 

Volgens de Bijbel was Israël op het moment van de Uittocht een klein slavenvolk (ca. 600 familiegroepen of afdelingen2 (Numeri 1:46), dat afstamde van Abraham. Na een verblijf van 40 jaar in de woestijn trok dit volk van zo'n 30.0003 personen uiteindelijk Kanaän binnen in 1361 v. C..

 

Hoewel Israël maar klein was (Deut. 4:38; 7:17 en 22) - ja zelfs het kleinste onder de volken (Deut. 7:7) - zorgde God ervoor dat zij Kanaän in bezit kregen. Hij deed dat echter geleidelijk om te voorkomen dat het land een woestenij zou worden (Ex. 23:29-30 en Deut. 7:22).

 

Rond 1360 v. C. had de Egyptische farao nauwelijks aandacht voor zijn vazallen in Palestina en Syrië. De wanhopige verzoeken van stadskoningen in Kanaän aan de farao van Egypte (de Amarna-brieven), om hulp tegen de Habiroe die hun steden aanvielen en plunderenden, bleven daarom zonder resultaat en Jozua kon tal van steden onder de voet lopen. Het volk Israël was echter te klein om alle veroverde steden blijvend te bezetten. De gevluchte bewoners konden daarom na enige tijd terugkeren naar hun steden. Kort na 1300 v. C. herstelde Egypte zijn heerschappij in de kustvlakte en de Kanaänitische steden bloeiden weer als tevoren.

 

Slechts in het centrale heuvelland slaagde het volk Israël erin zich vaste voet te verwerven (Joz. 23:5: Richt. 1: 27-36), maar het werd daar voortdurend bedreigd door vijanden, zoals beschreven is in het boek Richteren. In de kustvlakte bleef Egypte tot ongeveer 1150 v. C. veel invloed houden en bleken de Kanaänieten en de Filistijnen - met name dank zij het gebruik van ijzeren wapentuig - onverslaanbaar voor Israël. Pas nadat David, door dienst te nemen bij de Filistijnen, zich hun militaire kennis had eigen gemaakt en de leiding op zich genomen had, lukte het de Israëlieten om in ongeveer 1000 v. C. ook de kustvlakte te veroveren, en tenslotte het gehele beloofde land vanaf de beek van Egypte tot Dan in bezit te nemen.4

 

Ontstaanstheoriëen

 

De belangrijkste wetenschappelijke theorieën over het ontstaan van het volk Israël kunnen verdeeld worden in 4 groepen:

 

        1. de veroveringstheorie;

 

        2. de vreedzame infiltratie-theorie;

 

        3. de boerenrevolutie-theorie;

 

        4. de Kanaänitische herder-theorie.

 

De aanhangers van de veroveringstheorie veronderstellen dat de Israëlieten van buiten Kanaän afkomstig zijn, het land zijn binnengedrongen en het vanuit het heuvelland veroverd hebben. Daarbij worden verschillende richtingen genoemd (vanuit het zuiden of vanuit het oosten), en verschillende momenten (bijvoorbeeld tijdens Ramses II, 1279-1213 v. C.).

 

Volgens de vreedzame infiltratie-theorie is Israël ontstaan door het infiltreren in Kanaän van groepen rondzwervende half-nomadische clans die geleidelijk zijn samengegroeid, waarbij de Jahweh-cultus een leidende rol kreeg bij het ontwikkelen van een eigen identiteit. Aanvankelijk vestigden deze clans zich in het heuvelland, maar om het groeiende aantal mensen een woonplaats te kunnen bieden werd tenslotte ook het lager gelegen land geleidelijk op een vreedzame manier in bezit genomen.

 

De verdedigers van de boerenrevolutie-theorie veronderstellen dat het volk Israël niet afkomstig is van buiten Kanaän, maar ontstaan is uit groepen Kanaänitische boeren die zich niet langer wilden onderwerpen aan de onderdrukking van de Kanaänitische stadsvorsten. Ze zouden zich aanvankelijk hebben teruggetrokken in het heuvelland, omdat ze daar veilig waren voor de strijdwagens van de stadsvorsten die slechts in het laagland bruikbaar waren. Nadat ze voldoende macht hadden opgebouwd zouden ze tenslotte ook het laagland hebben ingenomen.

 

De Kanaänitische herder-theorie is een variant van de boerenrevolutie-theorie. Ook in deze theorie wordt verondersteld dat de oorsprong van het volk Israël niet ligt buiten Kanaän, maar daarbinnen. Dit keer zijn het geen opstandige boeren, maar rondtrekkende Kanaänitische herders die zich geleidelijk zijn gaan vestigen in het heuvelland, en tenslotte ook het laagland in bezit hebben genomen.

 

Het archeologisch materiaal

 

Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de Laat-Brons nederzettingen in het centrale heuvelland zijn opgevolgd door nederzettingen met een nieuwe bouwwijze van de huizen, een nieuw soort aardewerk en een nieuwe technologie (cisternen) om water op te slaan. Het nieuwe type nederzettingen wordt aangeduid als IJzer I nederzettingen. Ook op tal van plaatsen die nog niet eerder bewoond waren, zijn in het begin van de IJzertijd, ca. 1200 v. C., dergelijke nieuwe nederzettingen ontstaan. Het gaat om zoveel IJzer I nederzettingen dat gesproken kan worden van een ware golf.5 Belangwekkend is dat de botten van dieren die gevonden zijn in deze nieuwe nederzettingen, grotendeels afkomstig zijn van schapen en geiten en niet van varkens, waarvoor de omgeving, in die tijd sterk begroeid met bomen, overigens zeer geschikt was.6

 

Het ontstaan van de vele nieuwe nederzettingen wordt door sommigen verklaard als het gevolg van de vestiging van de Israëlieten in het centrale heuvelland waarmee een einde gekomen zou zijn aan de Laat-Brons cultuur. Bij het dateren van de overgang van Laat-Brons naar IJzer I menen sommigen dat er sprake is van een abrupte overgang die nauwkeurig in de tijd bepaald kan worden, namelijk in ca. 1175 v. C..7 Laat-Brons Beitin moet kort voor 1175 v. C. verwoest zijn en daar werd één van de vroegste IJzer I nederzettingen gesticht. Door de IJzer I laag in Tell Beitin te dateren op 1175 v. C. meent Bimson, in navolging van B.G. Wood, dat de IJzer I nederzettingen alle ontstaan zijn na ca. 1175 v. C.8 Er kan dan geen verband zijn tussen de ondergang van de Laat Brons-cultuur en de komst de Israëlieten, want uit de Israël-stèle blijkt dat de Israëlieten al geruime voor ca. 1210 in Kanaän waren.

 

Anderen menen dat de overgangen tussen archeologische perioden geleidelijk zijn verlopen. Wanneer de stijl van het aardewerk verandert, wordt het oude aardewerk niet weggegooid en wanneer de bouwtrant van huizen zich wijzigt, worden bestaande huizen niet verlaten. Volgens hen is de overgang van Laat-Brons naar IJzer I daarom een geleidelijke ontwikkeling geweest die zich in de 13e en 12e eeuw v. C. heeft afgespeeld.9

 

Bovendien blijkt uit onderzoek dat type aardewerk of bouwtrant van huizen niet eenduidig aan een bepaald volk kan worden toegeschreven. Handel en verkeer zorgden er voor dat aardewerk, of een bepaalde bouwtrant op brede schaal in een uitgestrekt gebied door een veelheid van volken toegepast werd. Hierdoor wordt het lastig om IJzer I aardewerk te bestempelen als typisch 'vroeg-Israëlitisch aardewerk'. Ook de wateropslag-techniek en de bouwtrant van huizen is meer een kenmerk van een bepaalde regio dan een identificerend kenmerk van een bepaalde bevolkingsgroep.10

 

Dit betekent dat het niet mogelijk is om de veranderingen in de bouwtrant van huizen, in de stijl van het aardewerk en van de methode van wateropslag eenduidig toe te schrijven aan het arriveren of ontstaan van de Israëlieten in Kanaän, laat staan dat hieruit afgeleid kan worden hòe Israël ontstaan is. Om over deze zaken uitspraken te doen zijn aanvullende gegevens nodig zijn. De Merenptah-stèle vormt daarbij een zeer belangrijke bron.

 

De Merenptah-stèle

 

 

De oudste vermelding van Israël als volk is te vinden op de zogenaamde Merenptah-stèle. Op de stèle, die dateert van zijn vijfde regeringsjaar, wordt vermeld dat farao Merenptah (1213-1203 v. C.) heeft afgerekend met de Libirs, mogelijk al in de eerste jaren van zijn regering. De tekst wordt afgesloten met een overwinningslied. In de ode komen de volgende regels voor: "Israël ligt braak; zijn zaad bestaat niet meer". De eerstvolgende buitenbijbelse vermelding van Israël als volk is pas te vinden op de Mesa-stèle uit ca. 840 v. C..

 

Velen hebben inmiddels getracht om deze vroegste vermelding van Israël als volk te ontkrachten. De veronderstelling dat niet het woord 'Israël' moet worden gelezen, maar 'Isarel' of 'Jezreal' blijkt op taalkundige gronden niet houdbaar te zijn.11 Ook de veronderstelling dat met het woord 'Israël' een stad of streek wordt bedoeld, kan is niet te verdedigen, omdat in de hiëroglyfentekst het woord 'Israël' voorafgegaan wordt door het teken voor een vreemd volk, namelijk een werpstok (teken voor vreemdeling), drie verticale lijntjes (teken voor meervoudsvorm) met daarboven een zittende man en vrouw (teken voor een groep mensen). De veronderstelling dat de schrijver zich vergist heeft en dat eigenlijk een vreemde stad of streek wordt bedoeld (werpstok met het teken voor heuvel), is onhoudbaar, omdat elders in de tekst ook vreemde volken zijn aangeduid, waarbij geen vergissing is gemaakt. Bovendien wordt Israël aangeduid met de term voor een volk dat een gemeenschap vormt die uit stammen bestaat. Er is dan ook geen enkele reden om eraan te twijfelen dat het volk Israël is bedoeld.12

De naam Israël in hiëroglyfenschrift op de Merenptah-stèle

 

Tekst op de stèle

 

De tekst van de ode luidt als volgt:

 

De vorsten staan naar voren getreden, en roepen Vrede,

Niet één onder de Negen Bogen heft zijn hoofd op,

Gebroken ligt Libië,

De Hethieten zijn tot vrede gebracht,

Geplunderd is Kanaän tot diepe ellende,

Overwonnen is Askelon,

Gevangen genomen is Gezer,

Yanoam is gemaakt tot wat niet bestaat.

Israël is braak gelegd,

Zijn zaad bestaat niet meer,

Hoerroe is weduwe geworden door Egypte.

Alle landen tesamen zijn tot vrede gebracht.

Iedereen die rusteloos was is vastgebonden

door de koning van Opper- en Neder-Egypte,

Ba-en-Re-mery-Amoen zoon van Re,

Merenptah-hotep-hir-Maat, schonk het leven,

zoals Re, dagelijks.13

 

Met 'de Negen Bogen' worden steeds de 9 traditionele tegenstanders van Egypte aangeduid.

 

Structuur van de tekst

 

Nadere beschouwing van de tekst levert op dat de ode parallellen bevat en dat deze parallellen bewust gerangschikt lijken volgens de volgende ringstructuur:

 

A

 

        B

 

                C

 

                D

 

                C’

 

        B’

 

A’

 

Indien deze veronderstelling juist is, dan ontstaan door het op deze wijze groeperen van de verschillende regels van de ode, nadere verbanden. Zo krijgen de regels waarin over Israël gesproken wordt een bepaalde plaats ten opzichte van andere regels, waaruit gevolgtrekkingen gemaakt kunnen worden over geografische plaats en positie van Israël ten opzichte van andere landen en volken. De vraag is echter welke regels van de ode gecombineerd moeten worden tot A, A’, B, B’ etc. Tal van voorstellen voor dergelijke combinaties zijn inmiddels gedaan en vervolgens bestreden.14 In een recente studie heeft M.G. Hasel alle tot dusver geopperde structuren en hun zwakke punten geanalyseerd, en een voorstel gedaan voor een structuur die de gevonden zwakten ondervangt.15 De door hem voorgestelde structuur is als volgt:

 

A Binden van vijanden

 

        B Landen/naties

 

                C Regio's

 

                        D Stadsstaten/volken

 

                                C’ Regio's

 

                B’ Landen/naties

 

A’ Binden van vijanden

 

Hierbij wordt verondersteld dat de schrijver van de ode een zodanige opbouw heeft gekozen dat het overwinnen van vijanden eerst algemeen wordt beschreven vanuit de grenzen van de invloedssfeer van Egypte, en dat vervolgens de beschrijving meer in detail plaatsvindt en zich richt op de meer nabij wonende vijanden, en dat vervolgens de omgekeerde beweging wordt gevolgd.

 

Binnen deze structuur combineert hij de volgende regels:

 

    A De prinsen staan naar voren getreden, en roepen Vrede!

    Niet één onder de Negen Bogen heft zijn hoofd op.

 

    B Gebroken ligt Libië; de Hethieten zijn tot vrede gebracht.

 

                C Geplunderd is Kanaän tot diepe ellende.

 

                Overwonnen is Askelon,

 

                        D Gevangen genomen is Gezer,

 

                        Yanoam is gemaakt tot wat niet bestaat.

 

                        Israël is braak gelegd,

 

                        zijn zaad bestaat niet meer.

 

                C Hoerroe is weduwe geworden door Egypte.

 

                B’ Alle landen tesamen zijn tot vrede gebracht.

 

A’ Iedereen die rusteloos was, is vastgebonden

 

door de koning van Opper- en Neder-Egypte.

 

Ba-en-Re-mery-Amoen, zoon van Re,

 

Merenptah-hotep-hir-Maat, schonk het leven,

 

zoals Re, dagelijks.

 

De laatste 4 regels zijn te beschouwen als een standaardformulering, die buiten de structuur van de ode valt.

 

De onderdelen A en A’ geven een algemene beschrijving van het hoofddoel van Merenptah: het binden van alle vijanden (de 'Negen Bogen') en vormen het kader. De hierbinnen liggende structuur B-C-D-C’-B’ beschrijft dit binden van de vijanden nader, waarbij de beschrijving eerst van 'buiten' naar 'binnen' (geografisch) en van 'algemeen' naar 'gedetailleerd' verloopt, en vervolgens omgekeerd.

 

Eerst wordt gemeld dat de ver weg gelegen vijandelijke naties Libië en de Hethieten zijn verslagen (B). Vervolgens richt de beschrijving zich op de meer nabij gelegen vijandelijke regio Kanaän (C), en tenslotte op de binnen deze regio gelegen stadsstaten en het volk Israël (D). Hiermee is het centrale punt van de ode bereikt.

 

Vervolgens richt de beschrijving zich weer naar buiten door te melden dat Hoerroe (de noordelijke regio binnen de Noord-Oostelijke invloedssfeer van Egypte) weduwe is geworden, namelijk doordat Kanaän (de zuidelijke regio binnen de Noord-Oostelijke invloedssfeer van Egypte) verslagen is (C’). Hierna richt de beschrijving zich nog verder naar buiten en wordt algemeen door te melden dat alle landen tot vrede gebracht zijn (B’).

 

Conclusie

 

Belangrijke gevolgtrekking die uit deze structurering gemaakt kan worden is dat Kanaän (C) correspondeert met Hoerroe en dat Kanaän niet - zoals door sommige geleerden eerder werd verondersteld16 - correspondeert met Israël. Israël heeft volgens deze structurering van de ode zijn plaats binnen Kanaän samen met de steden Askelon, Gezer en Yanoam. Deze vier vormden blijkbaar in de regio Kanaän de belangrijkste tegenstanders van Egypte.

 

Het gedeelte D vormt het centrale deel van de ode: de overwinning op de machtige stadsstaten Askelon, Gezer en Yanoam, en op het volk Israël. Voor Egypte was het van groot belang om de in de kustvlakte gelegen handelswegen naar het Noorden te beheersen en de daar gelegen steden onder Egyptische controle te brengen. Het belang van het verslaan van deze steden blijkt uit de ere-titel van farao Merenptah 'bedwinger van Gezer' Bij het onder controle brengen van de handelsroutes in de kustvlakte werd ook het volk Israël in het heuvelland aangevallen, mogelijk omdat Israël vanuit het heuvelland de handelswegen zou kunnen bedreigen, bijvoorbeeld door de watervoorziening van de kustvlakte af te snijden.17 Een andere reden zou kunnen zijn dat Egypte een alternatieve handelsroute wilde openleggen via het heuvelland.

 

In de ode wordt over het volk Israël gemeld dat het braak is gelegd en dat zijn zaad niet meer bestaat. De toevoeging "zijn zaad bestaat niet meer" zou kunnen worden opgevat worden als: zijn nageslacht is uitgeroeid. In verschillende Egyptische teksten wordt echter vermeld dat het vernietigen van het graan van een overwonnen volk een beproefde methode van Egypte was om dat volk te belemmeren in het opnieuw opstaan tegen Egypte. De overlevenden zouden moeten worstelen om niet alsnog van honger te sterven, de akkers weer in te zaaien en nakomelingen voort te brengen. Al met al zou het jaren duren voordat men weer voldoende mensen en middelen had opgebouwd om het Egypte lastig te kunnen maken. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat de toevoeging letterlijk genomen moet worden als "zijn graan is vernietigd". Uit de vermelding dat Israël braak ligt en zijn graan vernietigd is, blijkt dat Israël in 1210 v. C. een gevestigd volk van landbouwers was en dat Egypte om de macht van de Israëlieten te breken de beproefde tactiek van het vernietigen van het graan heeft toegepast.

 

Tot voor kort werden de zogenaamde krijgs-reliëfs in de tempel van Karnak toegeschreven aan Ramses II. Thans echter worden ze geïdentificeerd als afbeeldingen die horen bij de regeerperiode van farao Merneptah. Het gaat om vier afbeeldingen die lijken te corresponderen met de regels D uit de ode. Drie afbeeldingen zouden betrekking hebben op de drie genoemde steden; daarbij is overigens alleen nog de naam van Askelon te lezen. De vierde afbeelding zou corresponderen met de strijd tegen de Israëlieten. Deze afbeelding toont mogelijk Israëlieten die aangevallen worden door strijdwagens. Dit zou erop wijzen dat Israël rond 1210 v. C. als volk in staat was om een georganiseerd leger op de been te brengen; iets wat niet past in de theorieën die uitgaan van een geleidelijk ontstaan van Israël in de periode tussen 1200-1000 v. C.. Vandaar dat de koppeling van de krijgs-reliëfs van Karnak met de Merenptah-stèle met kracht bestreden wordt.

 

De implicaties van de stèle van Merenptah

 

De tekst op de stèle heeft belangrijke implicaties. Uit de ode blijkt namelijk dat Israël al rond 1210 v. C. door Egypte beschouwd werd als een volk. Nader onderzoek van de tekst levert bovendien op dat Israël in 1210 v. C. niet gevormd werd door enkele groepjes rondtrekkende nomaden, maar dat het een gevestigd volk van landbouwers was dat door Egypte op één lijn werd gesteld met de machtige stadsstaten Askelon en Gezer. Dit betekent dat de theorieën die er vanuit gaan dat het volk Israël geleidelijk ontstaan is tussen 1200 en 1000 v. C. ingrijpend bijgesteld moeten worden: de veronderstelde ontwikkelingen moeten zich veel eerder afgespeeld hebben.

 

De uit de ode blijkende aanwezigheid van Israël in het heuvelland van Kanaän rond 1210 v. C., als een gevestigd volk van landbouwers, is in overeenstemming met de gegevens die door de Bijbel worden verstrekt. In een periode van zo'n 150 jaar heeft Israël zich, sinds de intocht in 1360 v. C. in Kanaän, blijkbaar ontwikkeld van een klein herdersvolk tot een gevestigd volk van landbouwers. Op het eerste gezicht lijkt deze periode van 150 jaar lang. Uit het boek Richteren blijkt echter dat het volk Israël, dankzij de tijdelijke uitschakeling door Jozua van een groot aantal tegenstanders, weliswaar vaste voet kon krijgen in het heuvelland van Kanaän, maar dat het daarna voortdurend bedreigd werd in zijn voortbestaan. Hierdoor zal de demografische ontwikkeling tot een volk dat wat omvang betreft een machtsfactor kon vormen, slechts langzaam hebben kunnen verlopen.18

 

Ook het verlaten van de nomadische leefwijze zal zich niet in korte tijd, maar in loop van enkele generaties voltrokken hebben, waarbij geleidelijk steeds meer Israëlieten een bestaansvorm kozen als landbouwer. Daarom duurde het bijna 150 jaar voordat het volk Israël een machtsfactor van belang werd voor Egypte die het de moeite waard wordt om te vermelden. De archeologische gegevens zijn in overeenstemming met deze ontwikkeling.

 

De Laat Brons nederzettingen die in het heuvelland worden gevonden, kunnen (deels) toebehoord hebben aan Israëlieten die nog een semi-nomadisch bestaan hadden en zich nog niet als landbouwer gevestigd hadden.19 Het ontstaan van de grote aantallen IJzer I nederzettingen in het heuvelland kan gezien worden als een weerspiegeling van de ontwikkeling van herdersvolk naar een volk van landbouwers in de periode 1350-1200 v. C.. Bij de verdere ontwikkeling zullen ook na 1200 v. C. nieuwe nederzettingen zijn gesticht. Bijvoorbeeld in Beitin, waar een IJzer I nederzetting is gevonden die gedateerd wordt op 1175 v. C.20 Het gebied van Israël bleef echter beperkt tot het heuvelland, omdat de Egyptenaren tot ongeveer 1125 v. C. de kustvlakte beheersten en de Kanaänieten en Filistijnen met hun ijzeren wapens en met ijzer versterkte strijdwagens tot ongeveer 1000 v. C. een beslissende militaire voorsprong op Israël behielden.21

 

Eindconclusie is dat de gegevens die het onderzoek van de gedenksteen van Merenptah oplevert een belangrijke bevestiging vormen van wat de Bijbel vertelt over het ontstaan van het volk Israël.

 

dr. W.M. de Jong

 

 

 

 

NOTEN

​

1. De Septuagint-tekst gaat hier terug op een oudere grondtekst dan onze vertalingen. Uit het Nieuwe Testament blijkt dat ook Paulus deze oudere grondtekst gebruikt.

2. Het Hebreeuwse woord èlef (meervoud alafim) kan zowel vertaald worden met eenheid of familiegroep (o.a. Joz. 22:21 en Richt. 6:15) als met duizend. Uit Numeri 1 kan afgeleid worden dat zowel het aantal familiegroepen ('alafim') als het aantal strijdbare mannen werd geteld. Het totaal aantal familiegroepen blijkt 598 en het totaal aantal strijdbare mannen 5.550. In Numeri 1:46 stond waarschijnlijk oorspronkelijk vermeld: 598 familiegroepen met 5 duizend 550 strijdbare mannen. Een latere redacteur had waarschijnlijk geen weet meer van de twee betekenissen van alafim en de 598 alafim (= familiegroepen) opgeteld bij de 5 alafim (= duizend) tot 603 alafim, met als gevolg dat in onze vertalingen in totaal 603.550 strijdbare mannen vermeld worden. Op vele andere plaatsen heeft de dubbele betekenis van 'alafim' bij latere redacteuren tot verwarring geleid en tot correcties waardoor er aantallen kwamen te staan die strijdig zijn met duidelijke teksten als Deuteronomium 4:38, 7:7, 17, 22, waaruit blijkt dat Israël een klein volk was.

3. J.G. van der Land, Van Abraham tot David, Amsterdam 1993, p. 104-105.

4. Voor nadere détails over het voorgaande: J.G. van der Land, Van Abraham tot David, Amsterdam 1993.

5. J.J. Bimson, Merenptah's Israel and recent theories of Israelite origins, JSOT 49, 1991, p. 4.

6. R.S. Hess, Early Israel in Canaan: A survey of recent evidence and interpretations, PEQ 125, 1993, p. 138.

7. Bimson, a.w., p. 10-13.

8. Idem, p. 12-13.

9. Hess, a.w., p. 129.

0. Idem, p. 127.

11. M.G. Hasel, Israel in the Merneptah Stela, BASOR 296, 1994, p. 46.

12. Bimson, a.w., p. 14.

13. Hasel, a.w., p. 50.

14. Idem, p. 47-50.

15. Idem, p. 50.

16. Bimson, a.w., p. 22.

17. I. Singer, Merneptah's campaign to Canaan, BASOR 269, 1988, p. 3-6.

18. J.G. van der Land, Het aantal Israëlieten tijdens het Oude Testament, BGA I, 1994, 1, p. 3-7.

19. Hess, a.w., p. 131.

20. Bimson, a.w., p. 12-13.

21. W.M. de Jong, Jozua en de ijzeren strijdwagens, BGA III, 1996, 2, p. 13-15.

Laatste update: 16  april 2019