De Filistijnen III

 

Nieuwe discussie over hun vestiging 

 

Inleiding

 

Tussen de vestiging van de Filistijnen aan de zuidkust van Palestina en de ondergang van het Tien-stammenrijk ligt een periode van minstens vier eeuwen. In die periode ontstond in de 10e eeuw v. C. uit de stammen van Israël het Verenigd Koninkrijk, dat echter na een korte 'gouden eeuw' onder David en Salomo uiteenviel in twee rijken. Het Tien-stammenrijk ging kort voor 720 v. C. ten onder.

 

De vestiging van de Filistijnen is echter nog altijd onderwerp van discussie. De recentelijk weer opgelaaide discussie over de vestiging van de Filistijnen heeft ook de discussie over het 'Verenigd Koninkrijk' in de 10e eeuw v. C. weer in gang gezet. De nieuwe visie op de komst van de Filistijnen heeft gevolgen voor de gehele periode tot aan de ondergang van het Tienstammenrijk. Het betekent een verschuiving van veel vondsten naar latere eeuwen, waardoor met name de 10e eeuw v. C. in een ander licht komt te staan.

 

In dit artikel wordt de nieuwe datering van lagen die vroeger in de 10e eeuw gedateerd werden alleen zijdelings aan de orde gesteld.[1]

 

DRIE DATERINGEN

 

Basis van de nieuwe visie is de datering van het eerste type aardewerk dat de komst van de Zeevolken 'inluidt': het Myceens IIIC:1b. Tot nu toe werd dit monochrome aardewerk of tijdens farao Merenptah (1212-1202 v. C.) of tijdens farao Ramses III (1184-1153 v. C.) gedateerd. 

I. Finkelstein en D. Ussishkin, verdedigers van de nieuwe datering van de komst van de Filistijnen, dateren het monochrome aardewerk een halve eeuw later. In de beide vorige artikelen over de Filistijnen zijn verschillende visies op hun aankomst in zuidelijk Palestina al samengevat.[2] Finkelstein geeft aan dat de gangbare datering tekortschiet en stelt daarom een nieuwe voor: de lage datering, die de komst van de Filistijnen na 1135 v. C. plaatst.[3] Samengevat zijn er dus drie dateringen:

 

 

 

 

 

1.De vroege datering. Deze wordt verdedigd door T. en M. Dothan en houdt in dat het monochrome aardewerk werd gemaakt tijdens farao Merenptah door de eerste golf van immigranten die behoorden tot de Zeevolken. De Filistijnen waren hier niet bij, dus het monochrome aardewerk is dan pre-Filistijns en te dateren in ca. 1200 v. C..

 

2.De midden datering. Deze heeft de meeste aanhangers. Het monochrome aardewerk is in deze theorie Filistijns van oorsprong en direct na de aanval van de Zeevolken op Egypte geproduceerd in de landen waar ze zich vestigden. Datering: ca. 1175 v. C..

 

3.De late datering. Finkelstein gaat ervan uit dat de Filistijnen die deelnamen aan de strijd van ca. 1175 v. C. na hun nederlaag in garnizoensplaatsen werden gevestigd in Egypte en dat zich pas decennia later een tweede golf Filistijnen in het zuidwesten van Palestina heeft gevestigd. Het monochrome aardewerk is afkomstig van die tweede golf en kan gedateerd worden na 1135 v. C..

 

 ARGUMENTEN VOOR DE LATE DATERING

 

De kern van de argumentatie van Finkelstein ten gunste van de late datering is de afwezigheid van Egyptische vondsten in lagen waar het monochrome aardewerk voorkomt.[4] Tegelijkertijd is nergens in de Kanaänitische steden waarin Egypte invloed had een scherf van het monochrome aardewerk aangetroffen. De twee werelden,: Egyptisch en Filistijns, vallen dus nergens samen, ze volgen elkaar op volgens Finkelstein, want pas na de Egyptisch/Kanaänitische laag volgt een Filistijnse met monochroom aardewerk. Er ligt als het ware een 'ijzeren gordijn' tussen Egypte en Filistea.[5]

 

Aangezien in de laatste Egyptische lagen nog cartouches van de farao's Ramses III tot en met Ramses VI zijn gevonden (sporadisch overigens), plaatst hij het monochrome aardewerk na Ramses VI, dus na 1135 v. C..[6] Hij acht het niet logisch, dat het monochrome aardewerk in enkele plaatsen pas later arriveerde, omdat daar de Egyptenaren langer stand zouden hebben gehouden. De afstand tussen de bedoelde plaatsen is zijns inziens te gering.

 

Toch is de aanval van de Zeevolken, inclusief de Filistijnen, nauwkeurig te dateren, namelijk in het 8e jaar van Ramses III. Finkelstein gaat ervan uit, dat de gevangen genomen Filistijnen na de nederlaag tegen de Egyptische legers in garnizoenen zijn gevestigd in Egypte. De Papyris Harris-rol die hiervan gewag maakt noemt geen enkele garnizoensplaats. Tot nu toe werd door de aanhangers van de garnizoenen-theorie altijd uitgegaan van garnizoenen in Filistea. Finkelstein acht garnizoenen in Egypte meer aannemelijk, al geeft hij toe dat er in Egypte geen sporen van Filistijnen zijn gevonden.[7] Omdat in deze visie zowel in 1175 v. Chr. als in 1135 v. C. aanvallen van de Filistijnen voorkomen, ontstaat in feite een nieuwe 'twee­golven-theorie', naast de tweegolven theorie van de hoge datering (zie boven). Tussen 1175 en 1135 v. C. ontstaat dan een korte periode waarin enkele steden waarschijnlijk niet bewoond zijn, maar waarin de Egyptische invloed nog altijd aanwezig is.

 

 ARGUMENTEN TEGEN DE LAGE CHRONOLOGIE

 

A. Mazar heeft uitvoerig gereageerd op Finkelsteins artikelen.[8] Finkelstein wees erop dat in verschillende Kanaänitische steden die dichtbij de Filistijnse steden Gath en Ekron lagen, zoals Lachis, dat tot de verwoesting in circa 1150 v. C. een bloeiende stad was, geen Filistijns aardewerk gevonden is. Die steden bestonden nog tot circa 1150 v. C., zoals blijkt uit het gevonden aardewerk en cartouches van farao's.

 

Volgens Mazar is het een kenmerk van immigranten dat ze geïsoleerd in hun nieuwe woonplaats leven, zonder handel met de naburige volken.[9] Daarnaast was de Egyptische invloed in Palestina na circa 1180 v. C. zwak. Dat de Filistijnen sinds 1175 v. C. al in Filistea woonden, houdt hij dus zeker voor mogelijk. Voor Finkelstein hebben deze argumenten weinig betekenis, voor hem blijft de basis dat Egypte en de Filistijnen nergens tegelijk zijn terug te vinden.[10]

 

Andere argumenten die tegen de late datering zijn aan te voeren zijn de 

- door Finkelstein zelf erkende - afwezigheid van Filistijnse sporen in Egypte en de afwezigheid van enige verwijzing naar een tweede, latere aanval van de Filistijnen in circa 1135 v. C.. Deze nieuwe aanval, waarbij onder andere Lachis zou zijn verwoest, zou de Egyptische invloed hebben uitgewist, volgens Finkelstein. Duidelijke aanwijzingen hiervoor ontbreken, terwijl de Filistijnen tijdens de aanvallen in het achtste regeringsjaar van Ramses III genoemd en uitgebeeld worden. 

 

Zowel voor Finkelstein als voor Mazar is het vestigen van Filistijnen in Egyptische garnizoensplaatsen een feit. Veel van Finkelsteins argumenten zijn merkwaardig genoeg ook gebruikt als argument tegen dergelijke Filistijnse hulptroepen. Juist de afwezigheid van een gemeenschappelijke Filistijns/Egyptische cultuur en de directe vestiging van Filistijnen in steden waar de Kanaänitische/Egyptische cultuur was vernietigd, lijken erop te wijzen, dat die garnizoensplaatsen met Filistijnse soldaten in feite grootspraak van de Egyptenaren was.[11] Men kan verdedigen dat na de vestiging van de Filistijnen na 1175 v. C. in Filistea nog enkele Egyptische garnizoenen standhielden, bijvoorbeeld in Lachis, en dat in die garnizoenssteden dan ook geen Filistijns aardewerk is teruggevonden.

 

DE LAGE CHRONOLOGIE EN DE 10e EEUW

 

Bovenstaande discussie over de vroege datering heeft eigenlijk vooral betekenis omdat hij grote gevolgen heeft voor de visie op de erop volgende periode: de 11e, 10e en 9e eeuw v. C.. Finkelstein dateert het monochroom aardewerk tussen 1130 en 1080, het bichroom aardewerk (het klassieke Filistijnse aardewerk) tussen 1080 en 950.[12] De laag die daarop volgt, die meestal gezien werd als de laag van de 10e eeuw, dus van het verenigd koninkrijk, verschuift vervolgens naar het eind van de 10e eeuw en de 9e eeuw.[13] De bekende vondsten van paardenstallen, poorten en watersystemen in de grote steden Hazor, Megiddo en Gezer worden dan als 9e eeuws betiteld, waarmee de bekendste verwijzingen naar het verenigd koninkrijk verdwijnen.[14].[15] Het verschil tussen de 10e eeuw v. C. en de 11e en 12e eeuw wordt bij Finkelstein klein. De monumentale architectuur behoort volgens hem toe aan het Noordelijk koninkrijk en wel aan de dynastie van Omri uit de 9e eeuw v. C.. Dat is ook de periode dat de overheidsmacht zichtbaar wordt in de toegenomen administratie (zegels, ostraca), de bouw van stadsmuren, massaproductie en bevolkingsgroei.[16] Het Tien-stammenrijk rijst zo - bij Finkelstein - op als het eerste 'volwaardige' koninkrijk uit de stammen van Israel, terwijl het verenigd koninkrijk van David en Salomo een staat in oprichting wordt met weinig centrale macht en weinig glans.

 

BIJBELSE ARCHEOLOGIE EN ARCHEOLOGIE MET DE BIJBEL 

 

Volgens Finkelstein staan zijn artikelen in het kader van de emancipatie van de 'biblical archaeology' uit de 'Bible archaeology'.[17] Hij geeft een reeks voorbeelden waarin Mazar in feite alleen zou pogen om de Bijbelse gegevens te redden. De objectieve kijk op de archeologische gegevens komt daarmee te vervallen, want het raamwerk staat van tevoren vast.[18] Mazar op zijn beurt verwijt Finkelstein slechts mee te willen doen aan de huidige trend bij historici om het verenigd koninkrijk van de kaart te vegen.[19]

 

Deze verwijten over vooroordelen bij beide partijen zijn onvermijdelijk. Nauwkeurig te dateren vondsten en lagen zijn nauwelijks voorhanden, terwijl de weinige vondsten die wel dateerbaar zijn altijd diverse interpretaties toelaten. Wat zegt een gevonden cartouche op naam van Ramses VI? Betekent het dat Egypte in de betreffende laag nog invloed had op het volk dat daar woonde? Men kan ook beweren dat de vondst oorlogsbuit betreft, of bewijs is dat de handel met Egypte toch nog enige ruimte kreeg. Welk van deze redeneringen men kiest wordt uiteindelijk bepaald door uitgangspunten die voortvloeien uit ideologie of geloof.

 

Het scherpst komt dit naar voren in de discussie over het verenigd koninkrijk. De lage chronologie marginaliseert het rijk van David en Salomo tot een vrij primitieve, jonge staat. Het Oude Testament beschrijft deze periode daarentegen uitvoerig als een gouden eeuw, waarin het rijk zijn grootste omvang bereikt. Mazar geeft toe dat het bestaan van het Verenigd Koninkrijk niet met zekerheid te bewijzen is.[20]­ Weinig vondsten zijn met zekerheid te dateren in David en Salomo en deze koningen worden buiten de Bijbel in geen enkele tekst genoemd. Voor wie vasthoudt aan de waarheid van het Oude Testament is dat niet doorslaggevend. De tijd van beide koningen was een periode waarin de grote staten in het Midden Oosten in een diepe crisis verkeerden. Uit die tijd zijn er weinig teksten bekend. Kleine vondsten kunnen het zicht op een tijdperk ineens veranderen. Ook andere feiten die in de Bijbel vermeld worden zijn pas na lange tijd door opgravingen bevestigd. Een duidelijk voorbeeld is de bevestiging dat er in al in de 14e eeuw v. C. steden lagen ten oosten van de Jordaan.

 

 SAMENVATTING EN DISCUSSIE

 

De theorie van Finkelstein en Ussishkin inzake een latere datering van het begin van de IJzertijd in Palestina heeft gevolgen voor de gehele periode tussen de komst van de Filitijnen en het eind van het Tien­stammenrijk. Belangrijkste consequentie is dat het Verenigd Koninkrijk archeologisch verbleekt, terwijl de eerste monumentale architectuur die tot nu algemeen werd toegeschreven aan de activiteiten van koning Salomo wordt verschoven naar de dynastie van Omri van het Tienstammenrijk.

 

De argumenten voor de late datering zijn echter allerminst overtuigend. Kenmerkend is dat ze nauwelijks gebaseerd zijn op nieuwe vondsten, maar grotendeels op een nieuwe interpretatie van vondsten. De betekenis van de schaarse te dateren vondsten is moeilijk vast te stellen, wat evenzeer geldt voor de duur van een bepaalde laag. Toch worden met behulp van onzekere gegevens uit bodemvondsten en lagen conclusies getrokken. De aankomst van de Filistijnen in Palestina wordt 40 jaar later gedateerd op grond van het feit dat in dicht bij Filistea gelegen Kanaänitische steden in lagen die dateren tussen ca. 1200 en 1140 v. C. geen Filis­tijns aardewerk gevonden is. De Filistijnse cultuur kan volgens Finkelstein dus pas na de ondergang van de Kanaänitische steden in ca. 1140 v. C. begonnen zijn. Twee verschillende culturen kunnen zonder enig contact gedurende lange tijd naast elkaar bestaan. Dat geldt in Zuid-Limburg bijvoorbeeld voor Mesoliticum en Neoliticum.[22]

 

Als gevolg van het later dateren van de aankomst van de Filistijnen in Palestina worden alle lagen tot en met de 8e eeuw v. C. later gedateerd. Het is bijvoorbeeld onduidelijk waarom de lange periode van het klassiek Filistijnse bichrooe aardewerk meer dan 100 jaar duurt. Deze periode wordt in de midden datering meestal gedateerd van 1130 tot circa 1000 v. C.. Bij Finkelstein wordt het circa  880-950,v. C. dus tot in de tijd van Salomo. Waarom deze periode deze duur moet hebben blijft onduidelijk, te meer daar het jaar 1000 v. C. in de midden datering samenhangt met de komst van David en de verzwakking van de Filistijnen, zoals beschreven in I en II Samuël. De datering van feiten die in de Bijbel worden beschreven wordt dus indirect een factor die tegen het Verenigd Ko­ninkrijk wordt ingezet. De gegevens in de Bijbel over dat koninkrijk worden overigens afgedaan als idealistisch en meer een produkt van ideologie en theologie dan van geschiedschrijving.[22] [23].

 

Wie vasthoudt aan de gegevens die in de Bijbel genoemd worden, zal David een andere plaats geven dan wie zich daardoor niet laat leiden. Problematisch is het dat er wel teksten van buiten de Bijbel gevonden zijn waarin koningen als Hizkia en Jehu vermeld worden en geen waarin iets staat over David en Salomo.

 

De andere argumenten tegen de late datering versterken de twijfel aan de juistheid ervan: de afwezigheid van de Filistijnen in Egypte, het ontbreken van gegevens over een tweede aanval ca. 1135 v. C.. Volgens Bietak en Wood is de Egyptische tekst over garnizoensplaatsen in zuidelijk Palestina waarin Filistijnen gevestigd werden een verzinsel. De duidelijke scheiding tussen de Egyptische en Filistijnse cultuur steunt die visie.

 

Van de Filistijnen blijven we het beeld houden van een volk dat door de rampen aan het eind van Laat Brons vanuit de Egeïsche wereld (Myceens Griekenland of Anatolië) werd verjaagd of naar het zuiden is gevlucht tot aan de grens van Egypte. Waarschijnlijk is een deel van de Zeevolken/Filistijnen via Cyprus gekomen. De verwoestingen die ze hebben aangericht gingen niet verder dan de grens van Egypte, waar de strijd in circa 1175 v. C. onbeslist bleef. Direct daarna hebben ze zich in de verwoeste steden ten noord­oosten van Egypte gevestigd, waar ze hun Myceense cultuur hebben voortgezet op vreemde bodem. Na de 12e eeuw v. C. probeerden ze hun grondgebied uit te breiden ten koste van met name de zuidelijke stammen van Israël. De hevige strijd die ontstond staat uitvoerig beschreven in Richteren en in I en II Samuël. Vanaf de regering van David is hun betekenis echter afgenomen. De late datering heeft dit algemene beeld niet overtuigend aangetast.

 

                                                                                                                                     J. Bosland

 

 

 

 

 

NOTEN

​

[i].Zie W.M. de Jong, De historiciteit van David en Salomo betwist. Opgra­vingen in Megiddo, BGA VI, 1999, 1, p. 16-18.

[ii].BGA VI, 1999, 2, p. 13.

[iii].I. Finkelstein, The Date of the Settlement of the Philisti­nes in Can­aan, Tel Aviv 22, 1995, p. 216-224.

[iv].I

[v].Idem, p. 168.

[vi].Finkelstein, The Date of the Settlement of the Philis­ti­nes in Can­aan, a.w., p. 224.

[vii].Idem, p. 226-227.

[viii].A. Mazar, Iron Age Chronology: A Reply to I. Finkel­stein, Levant 29, 1997, p. 157-167.

[ix].Idem, p. 158.

[x].Finkelstein, Bible Archaeology or Archaeology of Pale­stine in the Iron Age?, a.w., p. 167-168.

[xi].J. Bosland, De Filistijnen II, BGA VI, 2, 1999, p. 12-13.

[xii].De datering van het verdwijnen van het bichroom aardewerk is niet eenduidig in de artike­len van Finkelstein. Er wordt soms ge­sproken over begin 10e eeuw, soms over halverwege de 10e eeuw v. C.. Duide­lijk is in elk geval dat dit type aarde­werk volgens Finkelstein ook nog tijdens Saul en David in gebruik was.

[xiii].I. Finkelstein, The Archaeology of the United Monarchy: an Alternative View, Levant 27, 1996, p. 177-185.

[xiv].Finkelstein was niet de eerste die twijfelde aan de datering van di­verse van deze vondsten. Zie bijvoorbeeld K.M. Kenyon, Archeolo­gie in het Heilige Land, Utrecht 1964, p. 264.

[xv].Deze vondsten sloten goed aan op 1 Kon. 9:15, waar Salo­mo's bouwacti­vi­teiten in Hazor, Megiddo en Gezer worden

ge­noemd.

[xvi].Finkelstein, The Archaeology of the United Monarchy, a.w., p. 185.

[xvii].Finkelstein, Bible Archaeology or Archaeology of Pale­stine in the Iron Age?, a.w., p. 167 en 173.

[xviii].Idem, p. 173.

[xix].A. Mazar, Iron Age Chronology, a.w., p. 164.

[xx].Idem, p. 164.

[xxi].J. Vermeulen, Aan de rand van het Neoliticum, NRC 12 juni 1990.

[xxii].Finkelstein, Bible Archaeology or Archaeology of Pale­stine in the Iron Age?, a.w., p. 172.

[xxiii].De discussie over de duur van lagen is overigens complex. Merkwaardig genoeg wordt zowel de te lange als de te korte duur van bepaalde lagen als argument gehanteerd. De lagen tussen Sisaks aanval op Pale­stina in 925 v. Chr. en het einde van het koninkrijk Juda (586 v. C.) zouden te lang bestaan hebben, ter­wijl de lagen in Hazor, Arad en Samaria elkaar te snel zou­den op­vol­gen. Zie resp. I. Finkelstein 1996, a.w., p. 181-182 en I. Finkel­stein, 1998, a.w., p. 171-172.

Laatste update: 16 april 2019