De Filistijnen II

 

Hun vestiging in Palestina

 

Inleiding

 

In de periode die wordt aangeduid als Laat Brons (circa 1470–1200 v. C.) vormden Palestina en Syriė een grensgebied tussen de twee grote rijken van het Oostelijke Middellandse Zeegebied: Egypte aan de zuidkant en het Hethietenrijk aan de noordkant. De twee wereldrijken voerden vaak strijd om de macht over Palestina en het westen van Syriė. Niet alleen om daarmee een veilige buffer te creėren, maar ook omdat met name Syriė rijk was aan grondstoffen en omdat de grote handelswegen van Egypte naar Mesopotamiė via Palestina en Syriė liepen. Die wegen waren van vitaal belang voor de Egyptische economie.

Palestina en delen van Syriė werden tijdens Laat Brons met name bewoond door de Kanaänieten, die vanaf de 15e eeuw v. C. als volk genoemd worden.1 Ook in de perioden dat Egypte deze regio domineerde, bleef hun cultuur in stand. Het is moeilijk aan te geven hoe de Egyptenaren hun invloedssfeer vormgaven. Het lijkt erop dat ze hun invloed beperkten tot de voornaamste steden, zoals Asdod, Gaza, Gezer, Megiddo, Lachis en Beth-Sean. De Kanaänitische cultuur bleef in stand evenals de intensieve handel met Cyprus en de Myceens-Griekse stadsstaten tot in de 12e eeuw v. C., toen de handel in grote delen van het Middellandse Zeegebied wegviel.

 

De Egyptische invloed was zeer sterk in de 15e eeuw v. C., toen farao Thoetmosis III het gebied tussen Egypte en de Eufraat veroverde.2 Na Amenhotep III verminderde de Egyptische invloed weer. Uit de Amarna-brieven uit de 14e eeuw v. C., die gericht waren aan de farao's die in Achet Aton (het huidige al-Amarna) resideerden tussen circa 1348 en 1335 v. C.,  blijkt dat diverse Kanaänitische stadsstaten Egypte om hulp vroegen tegen aanvallende Habiroe, terwijl andere stadsstaten zich juist verzetten tegen de Egyp-tische invloed.

 

Na de Amarna-tijd (tijdens welke farao Achnaton en korte tijd nog Toetanchamon regeerde) herstelde Egypte zijn macht in Palestina tijdens Seti I en Ramses II. Die bleef in stand tot in de 12e eeuw v. C., tijdens Ramses III (1184-1153 v. C.). In de laatst-genoemde periode vonden de invallen van de Zeevolken plaats, waartoe ook de Filistijnen behoorden. De invallen bereikten hun hoogtepunt onder Ramses III, toen zowel ter zee als te land gestreden werd tussen de invallers en de Egyptische legers en vloot. Na deze confrontatie vestigden diverse Zeevolken zich in Palestina.

 

 In dit artikel wordt ingegaan op de vestiging van de Filistijnen in Palestina. De om-standigheden waarin die vestiging plaats vond, blijken moeilijk vast te stellen. Allereerst worden kort de klassieke theorieėn over de vestiging in Palestina samengevat. Daarna worden de literaire en archeologische bronnen belicht. In een volgend artikel wordt de recent opgelaaide discussie over dit onderwerp (Finkelstein, Ussishkin en Mazar) aan de orde gesteld. 

 

Filistijnen: vazallen in Palestina?

 

Volgens de theorie van met name de archeologen Albright en Alt – beide reeds over-leden - zijn de Filistijnen als gevangenen van de Egyptenaren in Palestina gebracht om daar te worden ingezet als garnizoenstroepen. Daarbij wordt ervan uitgegaan, dat de Egyptenaren een grote overwinning hebben behaald op de Zeevolken en zeer veel gevangenen hebben gemaakt. De gevangenen werden gebracht naar de buiten-gebieden van Egypte om daar de grenzen te bewaken. De Egyptenaren voorzagen hen van voedsel en kleding en hielden de Filistijnse garnizoenen lange tijd onder controle. Nadat Egypte na circa 1130 v. C. verzwakte, hernamen de Filistijnen – die in Zuidwest-Palestina de kuststrook bevolkten – hun zelfstandigheid en bonden zij de strijd aan met de buurvolken ten noorden en ten oosten van hun nieuwe grondgebied. De langdurige strijd van de Filistijnen in de tijd van Simson, Samuėl en Saul met vooral de stammen Benjamin en Juda is dus het gevolg van die herwonnen vrijheid. 

 

De Filistijnen: veroveraars in Palestina?

 

Volgens de tweede theorie zijn de Filistijnen via Anatoliė zuidwaarts getrokken langs de kusten van Syriė en Palestina. Zij zouden daarbij pas door de Egyptenaren zijn tegen-gehouden. Na de onbesliste strijd vestigden ze zich in de vruchtbare kustvlakte ten noord-oosten van Egypte op de resten van de steden die ze kort daarvoor hadden veroverd en verbrand. Ze vestigden een eigen cultuur en gingen vrij spoedig over tot de aanval op hun buurvolken, onder andere de stammen Benjamin en Juda.3  Deze beide theorieėn – die in diverse varianten voorkomen – worden onderbouwd met achter-eenvolgens teksten uit de tijd van Ramses III en vondsten uit de opeenvolgende lagen zoals aangetroffen bij de opgravingen in Zuid­west Palestina. 

 

Medinet Haboe en Papyrus Harris

 

De inscripties en reliėfs op de tempel te Medinet Haboe beschrijven de komst van invallers te land en ter zee vanuit de noordelijke streken ('de eilanden van de zee'), die een enorme chaos veroorzaken langs de kusten van de Middellandse Zee, maar uiteindelijk door leger en vloot van Ramses III worden verslagen: de Filistijnen worden zelfs 'tot as gemaakt'. De reliėfs beelden de binnendringende Zeevolken gedetailleerd uit, waarbij vooral opvalt dat behalve leger en vloot ook vrouwen en kinderen op ossenwagens meekwamen. De 'Papyrus Harris' geeft daarnaast aan, dat Ramses III veel krijgsgevangenen maakte, die hij in garnizoenen plaatste ter bewaking van de grenzen en die door hem werden voorzien van kleding en levensmiddelen. De laatste tekst vormde de basis van de theorie van Albright en Alt, maar heeft daarnaast zeer veel vragen opgeroepen.

Afbeelding van gevangen genomen Filistijnen

 

In de eerste plaats is niet duidelijk waar de strijd zich heeft afgespeeld: in de Nijldelta of langs de Fenicische kust, omdat ook gesproken wordt over het land Amoerroe (noordelijk Libanon).4 Eventueel kan de zeeslag zich bij de Nijldelta hebben voorgedaan en de landslag bij Feniciė. Het gegeven dat Megiddo, een zeer belangrijke vesting langs de kustroute, niet is veroverd, is een aanwijzing voor een landslag langs de Fenicische kust.5

 

In de tweede plaats rijst de vraag of de tekst een eerlijk beeld geeft van de gebeurtenissen. Veel kronieken geven een misleidend beeld van de werkelijkheid, om de rol van het eigen land, de eigen vorst te idealiseren. In concreto vragen veel historici zich af of de Filistijnen werkelijk verslagen zijn.6 Lag het voor de hand dat zij vervolgens in de zeer vruchtbare kuststrook werden gevestigd? Duidelijk is steeds, dat de Kanaänitische laag in de steden van de regio wordt gevolgd door een specifiek Filistijnse laag, waarin vondsten die naar Egypte verwijzen nauwelijks of niet te vinden zijn.7 Bovendien vestigden de Filistijnen zich in de meeste gevallen op de resten van steden. Wie anders zouden die hebben verwoest dan zij zelf?.8

 

Gesuggereerd is zelfs dat Ramses III in feite en nederlaag heeft geleden tegen de Zeevolken, omdat veel voormalige gebieden uit de Egyptische invloedssfeer raak­ten. Daar staat tegenover dat de Egyptische invloed op diverse steden buiten Filistea nog wel terug te vinden is, bijvoorbeeld in Lachis en Beth-Sean.9 Daarmee komen we op het probleem van de archeologi­sche lagen, die het duidelijkst aangeven welke culturen elkaar hebben opgevolgd.

 

 Aardewerk 

 

In de meeste steden in het zuidwesten van Palestina zijn drie lagen terug te vinden die de overgang van Laat Brons naar de Vroege IJzertijd, van Kanaänitisch/Egyptisch naar Filistijns markeren.

 

   1.   Een laag met zowel ter plaatse gemaakt aardewerk als import-aardewerk. De import wijst op handel met Cyprus en de Myceense wereld, terwijl de eigen produktie Kanaänitische en Egyptische kenmerken vertoont. De verwoesting van deze laag luidt de komst van de Zeevolken in.

 

   2.   Een laag met aardewerk van het type Myceens IIIC:1b. Dit monochroom aarde­werk (rood of zwart) is kort geleden ingedeeld in twee ondersoorten: een eenvoudig en een verfijnd type. In de laag die volgt op de Kanaänitische overheerst het eenvoudige type.10 Met behulp van de actieve neutronen-analyse is aange­toond dat dit aardewerk ter plaatse is gemaakt en geen handelsprodukt of meegenomen produkt van elders is. De verhuizende volken namen hun kennis mee en hebben het Myceens III­IC:1b als spoor nagelaten.

 

   3.   Een laag met overwegend bichroom aardewerk, vaak 'klassiek Filistijns' genoemd. In deze laag vindt men van het monochroom aardewerk Myceens II­I:1b voornamelijk het verfijnde type.

 

Niet elke stad bevat alle drie lagen. Er zijn steden waarin laag 2 ontbreekt.11 De Kanaänitische cultuur wordt in die gevallen opgevolgd door een laag met het klassiek Filistijnse aardewerk. Blijkbaar zijn deze steden pas in een later stadium veroverd door of onder invloed gekomen van de Filistijnen.

 

Het grootste probleem blijft de absolute datering van de drie lagen. Met welke ge­beurtenissen zijn de overgangen tussen met name laag 1 en 2 te verklaren? Zijn het monochroom en het bichroom aardewerk produkten van hetzelfde volk? Het monochroom aardewerk uit laag 2 is van type dat overal in het gebied tussen Sardiniė en Zuid-Palestina wordt aangetroffen. Het is het duidelijkst symbool van de volksver­huizingen rond 1200 v. C.. Toch is het moeilijk aan te geven wie het maakten. In de Egyptische reliėfs van Medinet Haboe worden zes verschillende Zeevolken vermeld, die slechts ten dele geļdentificeerd zijn. Maar ook de wel herkenbare volken blijken zeer moeilijk van elkaar te onder­scheiden. In Palestina hebben zich in elk geval behalve de Filistijnen ook de Sherden en de Tjekker gevestigd; beide laat­ste volken langs de kust, ten noorden van de Filistijnen. Het is nog niet gelukt deze volken archeologisch goed af te bakenen.13 Als gevolg hiervan blijven veel vragen onbeantwoord over de vestiging van de Filistijnen, want in veel gevallen kan hoogstens worden beweerd dat er Zeevolken arriveerden na de verwoesting van de Kanaänitische cultuur.

 

De komst van het monochroom aardewerk wordt meestal gerelateerd aan de grote veld- en zeeslagen tussen Zeevolken en Egyptenaren van 1175 v. C., het achtste jaar van Ramses III. Een enkele keer wordt het echter in verband gebracht met eerdere invallen van Zeevolken onder farao Merneptah (1213–1203 v. C.).14 Aangezien de Filistijnen bij die invallen niet vermeld worden, moeten de makers van het monochroom aardewerk andere zeevolken zijn geweest, voorlopers van de Filistijnen – voor wie deze gedachte aanhangt. Er is dan sprake van een 'tweegolven-theorie': de vestiging van de Zeevol­ken/Filistijnen zou in golven zijn verlopen. De lagen 2 en 3, met respectievelijk monochroom en bichroom aardewerk, zouden dan twee verschillende golven illustreren.

 

Meestal echter worden monochroom en bichroom aardewerk beschouwd als produkten van hetzelfde volk: de Filistijnen. De eenvoudige monochrome aardewerkkunst werd dan na enkele decennia opgevolgd door een meer verfijnde vorm, die van het klassieke Filistijnse aardewerk, dat meer dan een eeuw kenmerk van de Filistijnse cultuur zou zijn, totdat de achteruitgang van hun macht zichtbaar werd in de toename van produkten en vormen van naburige culturen. 

 

Samenvatting en discussie 

 

De vestiging van de Filistijnen in Palestina is vooral sinds de jaren '60 uitvoerig onderzocht. Opgravingen in met name Asdod, Askelon en Ekron hebben veel nieuwe gegevens, maar nog zeker geen definitief beeld opgeleverd. Duidelijk is dat de Filistijnen zich in de 12e eeuw v. C. in Palestina hebben gevestigd en hun gebied daarna langzaam maar zeker hebben uitgebreid naar het noorden en het oosten. De gegevens uit het Oude Testament sluiten hier nauwkeurig op aan: vooral in de 11e eeuw v. C. wordt de strijd met de Filistijnen een bedreiging voor de stam van Juda.

 

Duidelijk is ook dat de Filistijnen hun hoogstaande cultuur uit het noorden meebrachten en in de plaats stelden van de Kanaänitische culturen van het Laat Brons. Deze overgang vond echter niet op alle plaatsen tegelijkertijd plaats. Gedurende een groot deel van de 12e eeuw v. C. leefden Filistijnen, Egyptenaren, Israėlieten en Kanaänieten naast elkaar in een betrekkelijk kleine regio. In de 11e eeuw komt de dominantie van de Filistijnen sterker tot uiting – zoals uitgebreid beschreven in Richteren en I en II Samuėl. 

 

Daarnaast blijven diverse onderdelen van de theorieėn over hun komst onzeker.

 

Het is moeilijk aan te tonen, dat de Filistijnen door de Egyptenaren zijn verslagen en als grensbewakers in Filistea zijn geplaatst. Een gemeenschappelijke Filistijns/Egyptische cultuur ontbreekt, terwijl de Kanaänitische cultuur, waarop de Egyptenaren veel invloed hadden, verwoest wordt en door een Filistijnse wordt vervangen.

 

Buiten het Filistijnse gebied, bijvoorbeeld in de Sjefela (grensgebied tussen Filistea en Juda) blijft de Egyptische invloed langer bestaan, bijvoorbeeld in de oostelijke en noordelijke steden Lachis, Megiddo en Beth-Sean. Hier dringt de Filistijnse invloed pas later door. Egyptische vondsten nemen juist weer toe als de Filistijnen over hun hoogtepunt heen zijn: in het begin van de 10e eeuw v. C..

 

Het is nog niet gelukt de verschillende Zeevolken nauwkeurig af te bakenen. De Filistijnen, de Tjekker en de Sherden hebben zich langs de Palestijnse kuststreken gevestigd, maar een nauwkeurige afgrenzing blijkt moeilijk. Daardoor is ook niet vastgesteld of het vroege monochroom aardewerk, dat direct volgt op de vernietiging van de Kanaänitische steden, Filistijns van herkomst is of niet. Vast staat hoogstens, dat zeevolken zich op de puinhopen vestigden. Mogelijk waren dit voorlopers van de Filistijnen, die na enige decennia werden opgevolgd door een nieuwe golf van zeevolken, waaronder de Filistijnen. Meestal wordt echter beweerd dat de Filistijnen zowel het monochroom als het latere bichroom aardewerk maakten. Eventueel kan een tweede golf van Filistijnen het nieuwere bichrome aardewerk hebben meegebracht toen deze zich vestigden bij hun volksgenoten.

 

Of de Filistijnen als gevangenen van Ramses III of als veroveraars zich in Palestina vestigden is nog niet vast te stellen. De bovenstaande discussie geeft aan, dat beide visies slechts ten dele kunnen worden onderbouwd. Duidelijk is dat de Filistijnen hun eigen cultuur op vreemde bodem voortzetten. Zolang de invloed van de Egyptenaren op de Filistijnen na hun vestiging in Palestina niet goed aanwijsbaar is, blijft het moeilijk de Filistijnen als gevangenen te zien. Meer dan gevangenen lijken ze veroveraars en meer dan slaven lijken ze op immigranten.

                                                                                                                                     J. Bosland

 

 

 

 

NOTEN

​

1. H. Bengtson, Geschiedenis van de Oude Wereld, Utrecht 1994, p. 64.

2. Idem, p. 22-23; L. Casson, The An­cient Mariners, New York 1959, p. 19-30.

3. De klassieke theorie van Albright en Alt is lange tijd de enige geweest. Mede door toenemende twijfel over de juistheid van de Egypti­sche annalen hierover ont­stond de tweede theorie die vooral Bietak en Wood verdedigen.

4. .I. Singer, How Did the Philistines Enter Canaan? BAR 18, 1992, 6, p. 44.

5. D. Ussishkin, The Destruction of Megid­do at the End of the Late Bronze Age and its Historical Significance, Tel Aviv 22, 1995, p. 263.

6. J. van Gestel, Oude beschavingen. De Egeļsche wereld, Amsterdam 1993, p. 69-70.

7. Ook uit het Oude Testament (Richteren, en I en II Samuėl ) is een samenwerking tussen Egyptenaren en Filistij­nen niet goed aanwijsbaar.

8. Zie B.G. Wood, The Philistines, Were They Egyptian Lackeys or Invading Conquerors?, BAR 17, 1991, 6, p. 52.

9. T. Dothan, The Arrival of the Sea Peoples. Cultural Diversity in Early Iron Age Canaan, in: S. Gitin and W.G. Dever, Recent Excavations in Israel: Studies in Iron Age Archaeology, Winona Lake 1989, p. 2-4.

10. Idem, p. 4-6.

11. Zie bijvoorbeeld B.G. Wood, a.w., p. 50.

12. Voorbeeld hiervan is Tell Sera. T. Dothan, a.w., p. 8.

13.M. Dothan, Archaeological Evidence for Movements of the Early "Sea Peoples" in Canaan, in: S. Gitin and W.G. Dever, Recent Excavations in Israel, a.w., p. 59-70. Hierin worden de meeste gegevens over Sherden en Tjek­ker samengevat.

14. .Met name T. en M. Dothan hebben uit­voerig verdedigd dat het aardewerk­type Myceens IIIC:1b een produkt is van voorlo­pers van de Filistijnen. Zie hiervoor I. Singer, The Beginning of Philistine Sett­lement in Canaan and the Northern Bou­ndary of Philistia, Tel Aviv 12, 1985, p. 110-112.

15. T. Dothan, Ekron of the Philistines, BAR 16, 1990, 1, p. 35.

Laatste update: 16  april 2019