De Filistijnen I

 

De herkomst van de Filistijnen

 

Inleiding

 

De Filistijnen zijn nadrukkelijk aanwezig in het Oude Testament en wel voornamelijk als de grootste vijand van het volk Israël. Hun aanwezigheid in zuidelijk Palestina is in de tijd van de laatste richters en de eerste koningen een grote bedreiging geweest voor met name de zuidelijke stammen. Na de nederlagen van de Filistijnen tegen David vermindert hun machtspositie aanzienlijk.

 

In de afgelopen twintig jaar is veel geschreven over de Filistijnen, vooral op grond van de resultaten van de recente opgravingen in Asdod, Ekron en Askelon, drie van de bekende Filistijnse steden die samen met Gath en Gaza de Filistijnse pentapolis vormden.1 Deze opgravingen hebben - naast nieuwe interpretaties van de literaire bronnen over de periode waarin de Filistijnen een sterke militaire macht vormen - nieuwe inzichten opgeleverd over hun cultuur, hun herkomst en hun aanwezigheid in Israël en Egypte.

 

In dit artikel wordt ingegaan op de herkomst van de Filistijnen. Hun vestiging in Israël en hun plaats temidden van Kanaänieten, Egyptenaren en Judeeërs komen in twee volgende artikelen aan de orde.

 

In z'n algemeenheid kan gezegd worden dat de theorieën over de herkomst van de Filistijnen in de loop van de tijd niet ingrijpend zijn gewijzigd. Ook in oudere literatuur vindt men de gedachte, dat de vestiging van de Filistijnen in de tijd van de enorme volksverhuizing in de 13e en 12e eeuw v. C. heeft plaatsgevonden en dat de Filistijnen tot de 'Zeevolken' behoren, zoals Egyptische teksten deze invallers noemen.2

 

De recente visies op opgravingen en literaire bronnen hebben dit beeld aangevuld en verder onderbouwd, voor wat betreft het thema van dit artikel.

 

De historieboeken van het oude Testament leveren verreweg het meest gedetailleerd inzicht in de cultuur en machtspositie en - minder uitvoerig - in de herkomst van het Filistijnse volk.

 

Het Oude Testament

 

In het Oude Testament kwamen de Filistijnen nadrukkelijk voor in de periode tussen de richter Jefta en de regering van David. De Filistijnen bedreigden het zuiden van Israël en onderdrukten het volk Israël met name in de tijd van de richters Simson en Samuël. De belangrijkste oorzaak van hun expansie was de kwaliteit van hun wapens.3 Tijdens de regering van Saul (einde 11e eeuw v. C.) wisselden de kansen, maar pas tijdens het koningschap van David - een tijd lang een dienaar van de Filistijnse koning Achis - werden de Filistijnen teruggedrongen en werd zelfs een deel van hun grondgebied veroverd. David nam zelfs veel Filistijnen op in zijn leger.4 Daarna speelden ze tot aan de ballingschap van Juda een marginale rol, om vervolgens geheel te verdwijnen. Globaal kan de periode van hun grootste betekenis worden gedateerd als 1150 tot 1000 v. C..

Afbeelding van Peleset (Filistijnen) op muur in tempel in Medinet Haboe.

 

Toch is dit niet de enige periode waarin van de Filistijnen melding wordt gemaakt. Ook in het boek Genesis worden ze genoemd. Allereerst in de volkerenlijst (Gen. 10:19), waar ze als nakomelingen van de Casluchieten worden vermeld. Daarnaast wordt in Genesis 21 en Genesis 26 gesproken over een koning van de Filistijnen, Abimelech, die te Gerar heerst en met wie Abraham en Isaäk in aanraking komen.

 

Zijn dit dezelfde Filistijnen die zeven eeuwen later Juda bedreigden? Waarschijnlijk niet. De vestiging van de Filistijnen in de 12e eeuw v. C. is duidelijk terug te vinden in het type aardewerk en de architectuur in Zuidwest-Palestina en in de historische bronnen uit die tijd, die aangeven dat in het begin van de 12e eeuw vele volkeren vanuit het Noorden (de Zeevolken, onder meer de 'Peleset'- de Filistijnen) binnendringen tot in Egypte. De Egyptische annalen spreken niet eerder over de Filistijnen dan in deze periode. Een doorlopende vestiging van Filistijnen in deze regio is archeologisch (nog?) niet aanwijsbaar.

 

De vraag blijft natuurlijk, welk volk dan als zodanig werd omschreven. Het is mogelijk, dat al in de tijd van de aartsvaders handelsposten uit de Minoïsche cultuur langs de kust van Palestina bestonden. Later kende men deze plaatsen en volken niet meer, waardoor de naam van de latere Filistijnen (die er dichtbij woonden) ervoor in de plaats kwam. Mogelijk geldt dit ook voor Ex. 13:17, waar het volk Israël niet door het land der Filistijnen, maar "langs de weg van de woestijn der Schelfzee" wordt omgeleid na de uittocht uit Egypte.5

 

Kafthor

 

Behalve hun geschiedenis in Palestina geeft het Oude Testament ook aanwijzingen over de herkomst van de Filistijnen. In Jeremia 47:4 worden ze "de rest van het eiland Kafthor" genoemd, terwijl in Amos 9:7 de uittocht van Israël uit Egypte wordt vergeleken met die van de Filistijnen uit Kafthor.

 

De grote vraag is, wat met Kafthor wordt bedoeld. Het wordt meestal op één lijn gesteld met Keftiu, dat in de Egyptische bronnen voorkomt. Ook in Oegarit en Mari vindt men verwijzingen naar deze naam.

 

Meestal wordt Kafthor als Kreta aangeduid. Daarnaast worden ook Cyprus en het Zuidwesten van Klein-Azië genoemd. De Septuagint en andere oudere vertalingen vertalen het als Cappadocië. Van de uitgebreide literatuur die hierover bestaat kunnen hier slechts hoofdlijnen worden genoemd.6

 

Kreta

 

Al in de oudste literatuur over de Filistijnen wordt Kreta aangewezen als land van oorsprong. Een onderbouwing van deze gedachte wordt geleverd door de oude naam van de Filistijnse stad Gaza: Minoa, een naam die aan diverse handelsposten werd gegeven die vanuit Kreta zijn gesticht.7 Daarnaast is bekend uit de Odyssee dat zich op het eiland veel volken bevonden rond 1200 v. C.. Tegen Kreta als land van herkomst is vooral het argument van belang dat op dat eiland ijzer niet en koper schaars te vinden is. Tin komt er evenmin voor.8 De Filistijnen stonden ook in hun eigen tijd bekend als metaalbewerkers van hoog niveau en hielden deze kennis angstvallig voor zich (1 Sam. 13:19), wat moeilijk te rijmen is met de gegevens over Keftiu als koper-exporterend land.

 

Cyprus

 

Cyprus als land van herkomst wordt vooral in de recente literatuur veel genoemd. J. Strange geeft aan, dat zowel Cyprus als de Filistijnse cultuur op hoog niveau metaalbewerking kenden en dat het aardewerk afkomstig uit Cyprus sterke gelijkenis vertoont met dat uit Filistea (Myc. IIIC:1b). Daarnaast is ook uit literaire bron bekend dat op Cyprus - net als op Kreta - rond de 13e en 12e eeuw v. C. verschillende volken verbleven.9 De vele namen die aan het eiland worden gegeven in de verschillende culturen uit die tijd maken de gelijkstelling met Kafthor echter erg moeilijk.10

Kruik van aardewerk; Myceens IIIC:1b stijl.

 

V. Karageorghis voegt aan de argumenten ten gunste van Cyprus toe dat opgravingen op dat eiland (bij Pyla en Maa) duidelijk maken dat hier een gemengde bevolking (uit Kreta, Griekenland en Anatolië) gedurende 25 jaar versterkte dorpen bewoonde aan het eind van de 13e eeuw v. C.. De bewoners waren rijk, maar verkozen duidelijk een verdedigbare plaats boven een lokatie die handel en landbouw begunstigt. Na circa 25 jaar werden beide plaatsen verlaten of verbrand. Maa werd herbouwd door de veroveraars, die eveneens het aardewerk van het type Myc. IIIC:1b vervaardigden.11 Karageorghis maakt ook melding van mythen op Cyprus waarin Griekse helden steden op dat eiland stichtten.12

 

Raban en Stieglitz tenslotte vergeleken ook de architectuur van het eiland met die van het Filistijnse land (met grote blokken natuursteen: ashlar-blokken). Dat het Filistijnse schrift lijkt op het Cypriotisch-Minoïsch uit die tijd is ook een argument voor de stelling dat Cyprus het land van herkomst van de Filistijnen is.13

 

De (misschien tijdelijke) aanwezigheid op Cyprus of Kreta komt in een breder verband te staan als we de gebeurtenissen van rond 1200 v. C. in dit deel van de Middellandse Zee erbij betrekken. De literatuur uit het Laat Brons en de opgravingen ondersteunen het enorme belang van dit bredere verband.

 

De Zeevolken

 

In het voorgaande werd al aangegeven dat op Cyprus veel vreemde volken huisden en dat het blijkbaar een gevaarlijke tijd was voor de bewoners van het oostelijk Middellandse Zee gebied. De oorzaken van de enorme onrust in de periode vanaf circa 1300 tot 1170 v. C. zijn nog steeds niet geheel zeker. De Egyptische reliëfs spreken over de 'Zeevolken' die vanuit het Noorden de kusten van Palestina en Egypte onveilig maken en complete koninkrijken laten instorten. Als mogelijke oorzaken van de volksverhuizingen in deze tijd worden genoemd hongersnood in Griekenland en Anatolië, invallen van stammen vanuit de Balkan, aardbevingen etc.14

In Egypte gevangen genomen soldaten van de Tjekker, één van de Zeevolken.

 

In elk geval zijn de instorting van het Hethitische rijk (kort na 1200 v. C.), de val van Troje (1185 v. C.), de invallen in Egypte (circa 1207 en 1175 v. C.) onderdeel van een grote catastrofe in ca. 1200 v. C., die volken uit het Noorden naar het Zuiden stuwde en die een enorme verwoesting aanrichtte in de culturen van het Laat Brons (ca. 1550 tot 1200 v. C.). Griekenland was aan het eind van de volksverhuizingen een verarmd gebied geworden, terwijl de welvarende en hoogstaande culturen naar het zuiden lijken te zijn verplaatst.15 Aan het eind van deze periode, in de 12e eeuw v. C., verschenen de Filistijnen in het Zuidwesten van Palestina. Hun komst betekent het einde van de dominerende invloed van Egypte op de regio. Ook hier wordt na hun komst het Myc. IIIC:1b aardewerk aangetroffen.

 

De Egyptische reliëfs (in Medinet Haboe) vermelden dat de Peleset (de Filistijnen) betrokken waren bij de tweede inval op Egypte, die plaatsvond in het achtste jaar van Ramses III (circa 1175 v. C.). Na deze invallen hebben de Filistijnen zich blijkbaar in het Zuidwesten van Palestina gevestigd.

 

Odysseus en Goliath

 

Naarmate de bereidheid is toegenomen om de heldendichten van Homerus serieus te nemen als geschiedschrijving, zijn steeds meer verbanden gelegd tussen enerzijds de Griekse helden die na de val van Troje dwaalden door het oostelijk deel van de Middellandse Zee en anderzijds de Filistijnen.

 

De Griekse helden doolden rond en belandden op Kreta, op Cyprus, in Libië en Egypte. De strijd van deze zwervende groepen tegen de Egyptenaren wordt beschreven in Odyssee, boek XVII, 420-460, en boek XIV, 250-290, waar de muiters - komend vanuit Kreta! - Egyptische akkers verwoestten, mannen doodden en vrouwen en kinderen wegvoerden. Maar voetvolk en strijdwagens kwamen spoedig en namen bloedig wraak.

 

Stager wijst op de overeenkomst tussen Griekse helden als Achilles en Odysseus enerzijds en diverse hoofdpersonen uit de late richterentijd anderzijds: Goliath, Jefta en Simson. Van de richter Samgar, die een vroege inval van Zeevolken/Filistijnen smoorde met een ossenstok, kan wellicht hetzelfde gezegd worden. Opvallend zijn de enorme kracht (Goliath, Simson), de eenzaamheid (Simson) en de typisch Grieks-Myceense wapenrusting (Goliath).16 De 'noodlottige' besluiten van Jefta kunnen hieraan wellicht worden toegevoegd.

 

Hoe men ook deze verhouding interpreteert, op z'n minst kan gesteld worden dat er frappante overeenkomsten zijn tussen de verhalen uit de Griekse heldentijd en de Bijbelse geschiedenis over de periode die daar direct op volgt, namelijk 1150-1000 v. C..

 

De Hethieten

 

Het rijk van de Hethieten is naast vele Myceens-Griekse stadstaten ten onder gegaan in de periode van de invallen van de Zeevolken. In het voorgaande zijn de Filistijnen vooral in verband gebracht met de eilanden in de Middellandse Zee en de Myceens-Griekse cultuur. Een hiervan afwijkende theorie die zeker vermeldenswaard is, is die van de Hethitische herkomst van de Filistijnen.

 

M. Riemschneider verdedigt deze theorie met de volgende argumenten:17

 

1. Joodse en christelijke bijbelvertalingen uit de tweede tot en met vijfde eeuw vertalen Kapthor als Cappadocië, dat binnen het Hethitische rijk lag.18

 

2. Sargon II noemde de inwoners van de Filistijnse stad Asdod in 711 v. C. Hethieten.

 

3. Evenals de Filistijnen in Palestina hadden ook de Hethieten in Anatolië een monopolie op ijzer, dat ze zorgvuldig in stand hielden;

 

4. De Hethieten noemden hun koningen net als de Filistijnen en de stammen van Israël richters ('tarawanas');

 

5. De Filistijnse hoofdgod Dagan is ook een god van de Hethieten: 'Dagan-zipas', evenals hun tweede god Baäl-Zebub: 'Zababa' of 'Ziparwa';

 

6. aardewerktypen die wij als Filistijns betitelen komen overal voor aan de Oostkust van de Middellandse Zee en zijn dus moeilijk te gebruiken als bewijs.19

 

Samenvatting

 

De Filistijnen worden gezien als een exponent in de grote volksverhuizing van de periode rond 1200 v. C., die de ondergang van vele rijken heeft betekend. Als één van de Zeevolken zijn ze vanuit het Noorden, mogelijk via Kreta, of - veel waarschijnlijker - Cyprus naar het Zuiden gegaan en hebben daar verwoestingen aangericht, maar ook een nieuwe cultuur gevestigd.20 Hun aardewerk, architectuur, militaire macht en bepaalde overeenkomsten met de Griekse helden van Homerus wijzen op Myceens Griekenland als land van herkomst.21 Daarnaast bestaan er ook krachtige argumenten voor een Hethitische afkomst: hun goden, hun richter-koningen en de oude bijbelvertalingen die Kafthor als Cappadocië vertalen. In de recente literatuur vindt deze laatste theorie echter weinig navolging.

 

Overigens kan opnieuw worden gesteld dat de oude theorieën over de herkomst van de Filistijnen niet ingrijpend zijn veranderd. Wel hebben de recente opgravingen en de nieuwe interpretatie van literaire bronnen veel nieuwe argumenten opgeleverd of oude genuanceerd.

 

drs. J. Bosland

 

 

 

NOTEN

​

1. T. Dothan, Ekron of the Philistines, BAR 16, 1990, 1, p. 26-36 en T. Dothan, What we know about the Philistines, BAR 8, 1982, p. 4, p. 20-44.

2. R. Kittel, Geschichte des Volkes Israel, II, Gotha 1922, p. 86-87 en A.R. Burn, Minoans, Philistines and Greek, B.C. 1400-900, Londen 1930, p. 145-165.

3. De strijd tussen Filistijnen en Israëlieten wordt vaak gezien als een strijd tussen ijzer en brons. Pas tijdens koning David vervaardigden de Israëlieten ijzeren wapens.

4. Diverse helden van David zijn Filistijnen, bijvoorbeeld Benaja. Ook de Krethi en de Plethi - Davids lijfwacht - bestond uit Filistijnen (2 Sam. 15:18).

5. C.C. Stavleu verdedigt het standpunt dat deze Filistijnen uit de patriarchale tijd tot hetzelfde volk behoorden als dat in de latere richteren- en koningentijd. Hun afwezigheid in Egyptische bronnen bijvoorbeeld verklaart hij uit hun zeer geringe omvang als volk; C.C. Stavleu, De Filistijnen in het boek Genesis, in: Verkenningen in Genesis, Kampen 1986, p. 103-107.

6. In zekere zin speelt een vergelijkbaar probleem rond het woord Filistijnen. J. Strange stelt dat de Israëlieten alle Zeevolken Filistijnen noemden, terwijl op Cyprus juist de Tjekker en Dananoi in de herinnering bleven; J. Strange, Capthor/Keftiu, A new Investigation, Leiden 1980, p. 165.

7. R. Castleden, Minoans, Life in Bronze Age Crete, Londen 1990, p. 122.

8. J. Strange, a.w., p. 114.

9. V. Karageorghis, Exploring Philistine Origins on the Island of Cyprus, BAR 10, 1984, p. 2, 28.

10. J. Strange, a.w., p. 167.

11. V. Karageorghis, a.w., p. 18-27.

12. Idem, p. 27.

13. A. Raban and R.R. Stieglitz, The Sea Peoples and their Contributions to Ccivilization, BAR 17, 1991, 6, p. 34-42, 91-92.

14. Zie de opsomming in: J. van Gestel, Oude beschavingen. De Egeïsche wereld, Amsterdam 1993, p. 141-143.

15. V. Karageorghis, a.w., p. 27-28.

16. L.E. Stager, When Canaanites and Philistines ruled Ashkelon, BAR 17, 1991, 2, p. 40-42.

17. M. Riemschneider, Die Herkunft der Philister, Acta Antiqua IV, 1956, p. 17-29.

18. De Septuagint, de Vulgata, de Peschita en de Targum (M. Riemschneider, a.w., p. 20).

19. Het is niet duidelijk of Riemschneider hier doelt op het type Myc. IIIC:1b, dat vooral tijdens opgravingen die plaatsvonden ruim na het verschijnen van zijn artikel massaal is aangetroffen in de Filistijnse steden. 

20. Vooral Karageorghis, a.w., en Raban, Stieglitz, a.w., wijzen op de grote betekenis van de Filistijnen. Hun cultuur stond op hoger plan dan die van hun buurvolken. Na de beperking van hun machtspositie nemen Israël en de Feniciërs de hoge levensstandaard en de nieuwe technologieën over, die de Filistijnen brachten (Raban, Stieglitz, a.w., p. 42).

21. De inscriptie die in 1996 in Ekron is gevonden en die misschien aantoont dat Achis - een Filistijnse koning ten tijde van David - vernoemd is naar Anchises, de vader van Aeneas uit de Ilias, kan als een nieuw bewijs dienen. Zie het artikel van W.M. de Jong, Koninklijke inscriptie uit Ekron, BGA V, 1998, 1, p. 13-15.

Laatste update: 16  april 2019