De Bijbel als mythe? II

​

In 2006 verscheen het boek 'De Bijbel als mythe. Opgravingen vertellen een ander verhaal', een Nederlandse vertaling van het boek 'The Bible unearthed'. De schrijvers, de Israëlische archeologen prof. I. Finkelstein en N.A. Silberman, beweren dat vrijwel het gehele Oude Testament van de Bijbel uit mythen bestaat.

​

In het eerste artikel in deze serie over dit boek werd duidelijk gemaakt dat beide schrijvers veel suggereren wat niet in overeenstemming is met resultaten van archeologisch onderzoek en dat ze bewust met feiten manipuleren. Zo waren in tegenstelling tot wat de schrijvers beweren, getemde kamelen in de tijd van Abraham al eeuwen in gebruik en dus behoeft er niet getwijfeld te worden aan de betrouwbaarheid van de verhalen over Abraham en Isäak waarin meermalen kamelen voorkomen.

​

DE UITTOCHT UIT EGYPTE

​

Ook de betrouwbaarheid van de verhalen in de Bijbel over de Uittocht van de Israëlieten uit Egypte ligt zwaar onder vuur in dit boek. Volgens de auteurs zijn de Israëlieten nooit in Egypte geweest. De verhalen over Mozes en Jozua, de leiders van het volk Israël, zijn volgens hen verzinsels. De Israëlieten zijn in Kanaän als volk ontstaan. Dat wordt ook door tal van andere archeologen al sinds jaren beweerd. We zullen aantonen dat de schrijvers feiten verdraaien en onbekend zijn met recente gegevens.

​

DE HYKSOS

​

De auteurs van het boek geven eerst (op pag. 64-71) een samenvat­ting van de verhalen in Exodus over de Uittocht van de Israëlieten uit Egypte en de voorge­schiedenis daarvan (Exodus 1-14). Ze beschrijven vervol­gens (pag. 71-74) de Hyksos, Semitische koningen die van 1639-1531 v. C. regeerden over Egypte. De schrijvers hanteren nog de al lang verouderde hoge daterin­gen 1670-1570 v. C..

​

De Egyptische historicus Manetho heeft de Hyksos in een verloren gegaan geschie­dwerk, waarvan gedeelten zijn overgenomen door klassieke, christelijke schrijvers, beschreven. Manetho was een Griek­stalige Egypte­naar (ca. 250 v. C.), die hogepriester was in Heliopolis tijdens de regering van de eerste twee farao's van de dynastie van de Ptolemaeën. Deze dynastie bestond uit Griekse heersers over Egypte die na de verovering van het land door Alexander de Grote in 332 v. C. aan de macht kwamen. Manetho droeg zijn Egyptische Geschiedenis - Ai­gypti­a­ka - geschreven in het Grieks, op aan koning Ptolemaeus II. Het ging over de geschiedenis van Egypte tot 323 v. C..

​

Manetho werd later vaak door Joodse en Christelijke auteurs gebruikt als bron voor het opstellen van een bijbelse chronologie. Manetho beschreef de Hyksos als alles verwoestende invallers in Egypte. Opgravingen in de Egyptische delta sinds 1966 hebben een geheel ander beeld opgeleverd.

​

DE ONTWIKKELING VAN AVARIS

​

Aan de thans verdwenen Pelusische Nijlarm in de delta ontstond na circa 2000 v. C. een handelscentrum. De plaats was ook een geschikt uitgangspunt voor de Egyptische expedities naar de turkoois- en kopermijnen in de Sinaï.1

​

Na circa 1800 vestigden zich vele Aziaten, met name uit Syrië en Palestina, in deze handelsstad. Vele immigranten kwamen uit de omgeving van Byblos, met welke stad Egypte intensieve handelsrelaties onderhield voor de invoer van hout. In de stad vonden vele immigranten werk in de kopernijverheid, in de handel of als soldaat in het Egyptische leger.2 Er was na circa 1800 v. C. in het oosten van de Egyptische delta sprake van een vreedzame vestiging van Aziaten.

​

In circa 1700 v. C. kwam in de delta een lokale dynastie van Aziatische afkomst aan de macht die de steun genoot van de vele Aziatische immigranten in de delta. Uit een inscriptie is bekend dat de stad in deze tijd Avaris heette. In Egypte regeerde toen de zwakke 13e dynas­tie. De lokale dynas­tie in Avaris wordt aangeduid als de 14e dynastie. De vorsten van deze dynastie regeerden over de Egyptische delta en erkenden het gezag van de in het overige deel van Egypte regerende farao's niet. De farao's van de 14e dynastie hadden niet alleen Egyptenaren in dienst als hoge ambtenaren, maar ook Aziaten.

​

Na ca. 1700 v. C. kwam een nieuwe stroom Aziatische immigranten, vooral afkomstig uit Palestina, naar Avaris. Uit deze Kanaänitische bevolkingsgroep kwam de nieuwe dynastie van de Hyksos voort. In 1639 v. C. nam Salitis, de eerste Hyk-sosfara­o, de macht over in Avaris. Hij wist geleidelijk aan zijn invloed over geheel Egypte uit te breiden. De term Hyksos is een verbastering van de Griekse woorden Feitelijk slaat de

​

DE HYKSOS VERDREVEN

​

De Hyksos werden door de meeste Egyptenaren gehaat als vreemde overheer­sers. Aan het eind van de periode van de Hyksos nam een lokale Egyptische dynastie in het zuiden van Egypte, gevestigd in Thebe (het huidige Luxor) sterk toe in betekenis. Seke­nenre-Tao II, een vorst uit deze zuidelijke dynastie, nam zich voor Egypte te bevrij­den van de Hyk­sos-heer­schap­pij. Hij wist hen steeds verder naar het noorden terug te drijven. Over het zuiden van Egypte regeerde een Egypti­sche dynas­tie als vazal van de farao in Avaris. Hij bond de strijd aan tegen de over­heer­sers in het noorden en slaag­de erin steeds meer gebied te bevrijden. Waar­schijn­lijk sneuvel­de hij in 1542 v. C. in de strijd tegen de Hyksos. Zijn zoon en opvolger Kamose zette de strijd voort en wist de Hyksos tot dicht bij Avaris terug te dringen. Na zijn vroege dood werd hij opge­volgd door zijn broer Ahmoses, die nog minderjarig was. Het gevolg was dat de strijd een aantal jaren werd ge­staakt.

​

Uiteindelijk werd Avaris, de hoofdstad van de Hyksos in 1531 v. C. belegerd. Na een lang beleg moes­ten de Hyksos zich overgeven en mochten ze zich terug­trek­ken naar het zuiden van Palestina, waar hun voornaamste bolwerk Sjaruhen lag, ten zuiden van Gaza. Ahmoses was de eerste farao van de nieuwe 18e dynas­tie.

​

Finkelstein en Silberman dateren de verdrijving van de Hyksos rond 1570 v. C.. Dat is een verouderde datering. Volgens de schrij­vers werd Tell el-Dab‘a, toen verla­ten na veroverd te zijn door de Egyptena­ren. Deze visie is sterk verou­derd. Opgravingen in Tell el-Dab‘a hebben aangetoond dat de stad na de verove­ring door de Egyptenaren nog lange tijd bewoond werd. De farao's van de 18e dynastie bouwden er paleizen en vestingen en maakten de stad tot een belang­rijke uitvalsbasis voor veldtoch­ten naar het noorden.

​

DE ISRAËLIETEN IN EGYPTE

​

 De meeste Israëlieten woonden tijdens hun verblijf in Egypte in Gosen, ten zuidoos­ten van de Nijldelta. Gosen lag dicht bij de stad Ava­ris, de resi­dentie van de fa­rao's van de Hyksos-dynas­tie. Een farao uit deze dynas­tie regeer­de over Egypte toen Jozef als slaaf verkocht werd aan een hoge Egyp­tische ambte­naar. Dat moet in 1638 v. C. geweest zijn, kort na het begin van de regering van de eerste Hyksosko­ning Salitis. Jakob kwam met zijn zonen en kleinzonen, 70 zielen, in 1616 v. C. aan in Egypte. Voor de datering van de aankomst van Jozef en de kerngroep die zou uitgroeien tot het volk Israël verwijs ik naar mijn boek 'Van Abraham tot David' waarvan binnenkort een herziene druk verschijnt.3

​

Jozef kon in zijn Kanaänitische taal direct met de farao en de heersende laag spreken. De farao zetelde toen in Avaris, in het oosten van de Egyptische delta. De Hyksos hadden ook Egyptenaren in hoge functies benoemd, bijvoor­beeld Potifar van wie uitdrukkelijk wordt vermeld dat hij een Egyptenaar was (Gen. 39:1). Dat zou in andere tijden niet nodig geweest zijn, maar in die tijd werden juist de uitzonderingen Egyptenaren in dienst van de Semitische farao genoemd. 

​

Sinds 1966 hebben opgravingen plaatsge­vonden in Tell el-Dab‘a, waar een deel van de stad Avaris werd blootgelegd. Nieuwe opgra­vingen daar hebben een duidelijk beeld opgele­verd van de tijd na de ver­ove­ring van Avaris door de Egypte­na­ren, in 1531 v. C.. Tot voor kort dacht men dat Avaris ­na de inname door de Egyp­tena­ren en de verdrijving van de Hyksos geheel ver­woest was en dat de fara­o's van de nieuwe dynastie daar nauwe­lijks bouw­werkzaamhe­den lieten verrichten. Bij een vroege datering van de Uittocht moet de slaven­ar­beid van de Is­ra­ëlieten in Raämses en Pitho­m in 1500 v. C. begon­nen zijn, tij­dens de rege­ring van één van de eerste fara­o's van de 18e dynas­tie. Er was echter weinig bewijsmateriaal gevonden dat in Avaris na 1530 v. C. veel bouw­werk­zaamheden plaats­vonden. Alleen waren funda­menten opge­gra­ven van een vesting­muur die waar­schijn­lijk ge­bouwd was in het begin van de 18e dynas­tie.

​

De opgra­vin­gen in Tell el-Dab‘a leverden een nieuw beeld op van de situa­tie in Avaris na de verdrijving van de Hyksos. Gebleken is dat de eerste fara­o's van de 18e dynas­tie in Avaris veel bouw­werk­zaamheden lieten uit­voeren. M. Bietak, de leider van de opgra­vingen in Tell el-Dab‘a, deed in zijn boek 'Avaris' ver­slag van de opgravingen in de stad.4

​

HYKSOS-VESTING 

​

Ten zuiden van een split­sing in de Pelusische Nijlarm werd tegen het eind van de Hyksos­tijd een vesting gebouwd op een eerder nog niet bewoond ter­rein. Het strategisch gelegen vestinggebied was omgeven door een muur die oorspronkelijk aan de basis ruim 6 meter breed was en later verbreed werd tot bijna 8,5 meter. Er zijn van fragmenten van stenen van een paleis gevonden waaruit bleek dat daar de residentie van de Hyksoskoningen lag tegen het eind van de Hyksos-tijd. Het was een uitbrei­ding van een oudere, klei­nere resi­dentie van de Hyksos­fara­o's, die meer naar het zuid­oosten lag. Het paleis in de ves­ting werd tij­dens de verove­ring van Avaris verwoest. Sommi­ge onderdelen van het paleis werden in het begin van de 18e dynastie op­nieuw gebruikt.

​

Er werd een grote deurpost van kalksteen gevon­den waarop een inscriptie voor­komt waarin de titels die gebruikelijk zijn voor de Egyptische farao's ver­meld worden. Daarin komt de naam Sikroe-Hadad voor. Waarschijnlijk is dat de oor­spronke­lijke vorm van de naam Salitis, de eerste Hyksosfarao. Er zijn in de omgeving nog meer koninklijke inscripties uit de Hyksostijd gevonden. Onder andere een inscriptie op een stčle van Janassi, de oudste zoon van Hyksosfarao Khayan. Mogelijk is Janassi de Hyksos-farao Iannes uit de ko­ningslijst van de Egyp­tische priester Manetho.5

​

Waar­schijnlijk heeft Avaris zich na een lang beleg overge­geven aan de Egypte­na­ren en kregen de inwo­ners toe­stemming de stad te verlaten en naar Pale­stina te ver­trek­ken. Er bleven ook Kanaänitische bewoners achterin Avaris. In het gebied van de Kanaänitische tempel van Seth zijn sporen van voort­gezet­te bewoning gevon­den. 

​

UITTOCHT EEN MYTHE? 

​

Hoe komen Finkelstein en Silberman tot hun stelling dat de Uittocht zoals beschreven in Exodus nooit plaatsgevonden heeft? Als men uitgaat van de Masoreten-variant van de Hebreeuwse grondtekst in 1 Koningen 6:1, dan zou de Uittocht 480 jaar voor het begin van de bouw van de Tempel plaats­ge­vonden hebben. Het begin van de tempelbouw wordt algemeen gedateerd in 967 v. C..

​

Daarom is lang verdedigd dat de Uittocht uit Egypte plaatsvond in 1447 v. C.. Toen regeerde farao Thoetmoses III die toen juist op het hoogte­punt van zijn macht was. Vanwege de volgende redenen kan hij niet de farao geweest zijn tijdens wie de Uittocht plaats had:

​

1.Rond 1445 v. C. maakte Thoetmoses III grote veldtoch­ten naar Azië. Dat zou niet mogelijk geweest zijn als de elitetroe­pen van de farao omkwa­men in de S­chelf­zee en alle eerstgeboren zonen in Egypte stier­ven. Na zo'n enorm ver­lies aan mankracht zou een Egyptische farao lange tijd geen grote veld­toch­ten hebben kunnen maken.

​

2.Thoetmoses III werd in 1425 v. C. opgevolgd door zijn oudste zoon Amen­ho­tep II. Vol­gens de Bijbel stierf de oudste zoon van de farao kort voor de Uittocht (Ex. 12:29).

​

3.Als de Uittocht plaatsvond in 1447 v. C. dan verdronk de farao niet in de Schelf­zee, want Thoetmoses III regeerde nog ruim 20 jaar daarna. Uit Exodus 14:6, 7 en 8 en 17 blijkt dat de farao aan het hoofd van zijn leger Israël achterna trok. Het is uiterst on­waar­schijn­lijk dat de krijgs­haf­tige farao Thoetmoses III aan de oever van de Schelf­zee bleef toekij­ken hoe zijn leger Israël achterna trok, het pad op dat in de Schelfzee was ontstaan en zelf op de oever bleef toekijken.

​

Bij een datering van de Uittocht in 1447 v. C. zijn tal van gegevens in het boek Exodus niet te rijmen met gegevens uit histori­sche bronnen en archeolo­gisch onderzoek. Daarom dateerden steeds meer archeologen de Uittocht in ca. 1260 v. C. tijdens Ramses II. Als gevolg daarvan moest men tal van gegevens uit de Bijbel losla­ten.

​

In Exodus 1:11 is sprake is van een stad Ramesse. Finkel­stein en Silberman merken op dat de eerste farao met de naam Ramses begon te regeren in 1320 v. C.. Dat moet overigens zijn 1295 v. C. volgens de thans vrijwel algemeen gevolgde datering. De naam Ramesse zou er op wijzen dat deze stad gebouwd werd in op­dracht van farao Ramses II (1279-1213 v. C.) en dat de Isra­ëlieten nog tij­dens Ramses II in Egypte verble­ven en dat de Uit­tocht plaats­vond tij­dens Ramses II.

​

Volgens Finkelstein en Silberman zijn er opmerkelijke overeenkomsten tussen­het verhaal in de Bijbel over de Uittocht van de Israëlieten uit Egypte en de verdrijving van de Hyksos. De verdrijving van de Hyksos zou op hoofdpunten overeenkomen met het verhaal van de Uittocht van de Israëlieten uit Egypte in het boek Exodus (p. 72-73). Ze suggereren feitelijk dat het verhaal over de verdrijving van de Hyksos ten grondslag lag aan beschrijving in het boek Exodus van de Uittocht. De stelling van de beide schrijvers is onhoudbaar. Chronologisch is het al een onmogelijkheid. De Hyksos-aftocht vond plaats in 1521 v. C. en de Uittocht minstens 100 jaar later.

​

Er is vrijwel ook geen enkele overeenkomst tussen wat beide groepen mee­maakten tijdens hun vertrek uit Egypte. De Israëlie­ten vlucht­ten weg uit Egypte, en werden niet uit Egypte verdreven. De Israëlieten werden door de Egyptena­ren ook niet langdu­rig belegerd en hadden geen hoofdstad die langdurig belegerd werd door de Egyptenaren. De Hyksos trokken weg nadat hun laatste farao was overwonnen. Ze werden niet achtervolgd zoals de Israëlieten. Ze vormden een heersen­de groep in Egypte, terwijl de Israëlieten slaven waren.

​

Wat betreft de stelling dat de Uittocht van de Israëlieten heeft plaatsgevon­den tijdens farao Ramses II wijzen de schrijvers erop dat de naam van de stad Ramesse afgeleid moet zijn van de naam van de stad Pi-Ramesse (het huis van Ramses). Bekend is uit Egyptische bronnen dat Semieten meewerkten aan de bouw van deze stad. Daar in een tekst op een stčle van farao Merenptah voor het eerst de naam Israël genoemd wordt als een volk in Kanaän dat hij heeft overwon­nen in ca. 1208 v. C., moeten de Israëlieten in ieder geval toen al in Palestina gewoond hebben. Ze moeten dus tijdens Ramses II uit Egypte vertrokken zijn. Zo kwam men terugrekenend op 1260 v. C. voor de Uittocht en circa 1220 voor de Intocht in Kanaän.

​

De schrijvers wijzen er op dat tijdens Ramses II langs de oostelijke grens van Egypte een stelsel van vestingen bestond waarvandaan bewegingen van vreemdelingen scherp in het oog gehouden werden. Als er een grote massa vluchtende Israëlieten langs de grensversterkingen gekomen zou zijn tijdens Ramses II, zou er een rapport over moeten bestaan, maar in de vele Egyptische bronnen in die tijd is geen enkele verwijzing naar de Israëlieten te vinden, aldus de schrijvers (p. 76-79). Een vreemde argumentatie want zij die opkomen voor de historische betrouwbaarheid van de betrouwbaarheid van het Oude Testa­ment stellen dat de Uittocht niet kan hebben plaatsgevonden tijdens Ramses II, gezien de chronologische gegevens in de Bijbel, maar ook omdat de oudste zoon van Ramses II, Amon-her-khepershef, stierf in het 40ste regerings­jaar van zijn vader, in 1240 v. C..6

​

Het feit dat de oudste zoon van de farao in de nacht voor de Uit­tocht stierf is een be­langrijk gegeven in het verhaal over de Uittocht uit Egypte in Exodus 12: 29-30. Daar wordt ook in andere teksten naar verwe­zen. Wie een datering van de Uittocht tij­dens Ramses II bepleit moet dat dus dateren in het sterfjaar van de oudste zoon, Amon-her-khepers­hef. Dan zou de Intocht van Israël in Kanaän 40 jaar later plaatsge­von­den hebben, in 1200 v. C., terwijl uit de stčle van farao Merenptah blijkt dat Israël al in 1208 v. C. in Kanaän verbleef. De Uittocht kan dus niet tijdens Ramses II plaatsgevonden hebben.

​

We zijn het met de schrijvers eens dat de Israëlieten niet tijdens Ramses II uit Egypte vertrokken kunnen zijn. Vele gegevens bekend van archeologisch onderzoek maken dat onmogelijk. Het dateren van de Uittocht in circa 1260 v. C. is ook in strijd met tal van chronologische gegevens die we kunnen afleiden uit het Oude Testa­ment. De schrijvers voeren verschillende argumenten om te betogen dat de Israëlieten niet tijdens Ramses II uit Egypte vertrokken kunnen zijn: "Elke groep die tegen de wil van de farao uit Egypte vluchtte zou gemakke­lijk zijn opgesp­oord, niet alleen door een Egyptisch leger dat haar vanuit de delta achtervolgde, maar ook door de Egyptische soldaten in de vestingen in de noordelijke Sinaï en in Kanaän."

​

Dit argument is een slag in de lucht, omdat de Israëlieten niet in de dertiende eeuw v. C. weggetrokken kunnen zijn uit Egypte. Ook kan de Uittocht niet in circa 1445 v. C. tijdens Thoet­moses III plaats­gevon­den heb­ben. Het afwijzen van beide daterin­gen is echter geen reden om te stellen dat de Uittocht dan niet heeft plaatsge­vonden, zoals Finkelstein en Silberman stellen (pag. 81).

​

Ook het gedeelte van het boek over de Uittocht is rijhk aan onhoudbare argu­menten en getuigt van onbekendheid met de nieuwste stand van het onderzoek in Tell el-Daba.

​

In 'Van Abraham tot David' zijn tal van argumen­ten genoemd voor het dateren van de Uittocht aan het eind van de regering van Amenhotep II die evenals zijn oudste zoon stierf in 1401 v. C..7 We volgen dan de Septua­gintversie van 1 Konin­gen 6:1 volgens welke de bouw van de Tempel van Salomo 440 jaar na de Uittocht begon.

​

 J.G. van der Land

​

 

​

NOTEN

 

1.  Idem, p. 10-14

2.  Idem, p. 20

3.  J.G. van der Land, Van Abraham tot David. De oudste geschiedenis van het volk Israël, tweede herziene druk, 

      Kampen 2007, hoofdstuk VII; in de eerste druk p. 77-79.

4.  M. Bietak, Avaris. The Capital of the Hyksos. Recent Excavations at Tell el-Dab'a, Londen 1996.

5.   Idem, p. 67

6.   K.R. Weeks, De vergeten graf­tombe, Baarn 1994, p. 284

7.   Van der Land, a.w., eerste druk p. 57-61.

Laatste update: 16 april 2019