De Bijbel als mythe ? I

​

In 2006 verscheen het boek 'De Bijbel als mythe. Opgravingen vertellen een ander verhaal', een vertaling van ‘The Bible unearthed. Archeaology’s New Vision of Ancient Israel and the Origin of its Sacred Texts’ (De Bijbel opgegraven. De nieuwe visie van de archeologie van het oude Israël en de oorsprong van haar heilige teksten). Dit boek werd geschreven door de Israëlische archeologen prof. I. Finkelstein, hoogleraar in de archeologie aan de universiteit van Tel Aviv, en N.A. Silberman.

​

De schrijvers stellen op grond van resultaten van recent archeologisch onderzoek dat een groot deel van de historische boeken van het Oude Testament als een verzameling mythen en legenden aan te duiden. We zullen nagaan of de schrijvers daarvoor ook overtuigende argumenten aanvoeren.

​

In dit boek worden wetenschappelijk niet weerlegbaar lijkende stellingen geponeerd, zodat een lezer die weinig onderlegd is in de bijbelse archeologie erdoor overweldigd wordt. Hoe kwamen dan de mooie verhalen die we zo goed kennen, zoals die over de aartsvaders Abraham, Isaäc en Jacob, over Jozef en zijn benoeming tot onderkoning van Egypte, over het verblijf van Israël in Egypte, over de Uittocht uit Egypte, de Intocht in Kanaän en over David en Salomo tot stand?

​

Deze verhalen zijn volgens de schrijvers legenden en mythen. Ze voeren daarvoor onder andere als argument aan dat ze intern vaak tegenstrijdig zijn of elementen bevatten die in de tijd waarin deze verhalen spelen nog niet bestonden (anachronismen).

​

We vragen ons dan af hoe deze verhalen die zo veel bijzonderheden bevatten geschreven kunnen zijn als ze niet op historische gebeurtenissen gebaseerd zijn. De schrijvers hebben daarvoor een verklaring. Volgens hen zijn tijdens koning Josia, die regeerde over Juda van 641 tot 609 v. C. alle boeken van Genesis tot en met 2 Koningen geschreven op basis van oude verhalen die onder het volk de ronde deden.

​

Hoe kunnen de verhalen over de Uittocht van Israël uit Egypte en de Intocht in Kanaän geschreven zijn als ze niet op gebeurtenissen teruggaan die plaatsvonden? Volgens de auteurs was de verdrijving van de Hyksos door farao Ahmoses, in 1531 v. C., de oorsprong van het verhaal in de Bijbel over de Uittocht van de Israëlieten uit Egypte. De verdrijving van de Hyksos vond plaats in 1531 v. C., terwijl de Israëlieten volgens 1 Koningen 6:1 in circa 1440 v. C. of volgens de Septuagint-versie van de genoemde tekst in circa 1400 v. C. uit Egypte wegtrokken, respectievelijk 480 of 440 jaar voor het begin van de bouw van de tempel in Jeruzalem in het vierde regeringsjaar van Salomo, vrijwel algemeen gedateerd in 967 v. C..

​

De Hyksos vormden een Semitische bevolkingsgroep waaruit zes farao’s voortkwamen die regeerden van 1639-1531 v. C.. De auteurs dateren  de verdrijving van de Hyksos in 1570 v. C., een verouderde datering.

​

DOEL VAN DE SCHRIJVERS

​

De schrijvers beweren dat nieuwe archeologische vondsten de betrouwbaarheid van de Bijbel als weergave van de feiten wezenlijk aantasten. Volgens hen leken archeologische vondsten tot de jaren zeventig de historische betrouwbaarheid van de Bijbel te bevestigen. Velen verdiepten zich in de bijbelse archeologie om aan te tonen dat de verhalen in het Oude Testament gebaseerd zijn op gebeurtenissen die werkelijk plaatsvonden.

​

Na circa 1970 ontstond er een nieuwe trend onder de archeologen die zich bezighouden met opgravingen in Palestina. De archeologie ontwikkelde zich tot een wetenschap die van tal van andere wetenschappen gebruik maakte. Men bestudeerde beenderen van dieren, zaden, bodemmonsters en men kreeg steeds meer kennis van de datering van soorten aardewerk, zodat de opgegraven lagen steeds beter gedateerd konden worden. De meeste huidige archeologen die zich met de archeologie van Israël bezighouden, stellen zich zeer kritisch op tegenover de verhalen uit de historische boeken van het Oude Testament. 

​

BIJBELKRITIEK

​

Het betwijfelen van de betrouwbaarheid van de Bijbel begon al in de 16e eeuw. Verschillende geleerden vroegen zich af of Mozes wel de schrijver was van de vijf eerste boeken van het Oude Testament, de Pentateuch. Verschillende onderzoekers merkten daarin al oneffenheden op. De Duitse theoloog Witter (1683-1715) kwam tot de conclusie dat er verschillende bronnen ten grondslag lagen aan de  boeken van de Pentateuch en dat Mozes niet de enige schrijver ervan was.

​

Geleidelijk aan nam de kritiek op de historische boeken van het Oude Testament toe. De moderne theologen in de negentiende eeuw wezen de betrouwbaarheid van de verhalen de aartsvaders radicaal af. Later werd de betrouwbaarheid van de gedeelten van het Oude Testament die gaan over de Uittocht uit Egypte en de Intocht in Kanaän losgelaten. In de jaren negentig van de twintigste eeuw werd ook steeds meer getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verhalen over David en Salomo.

​

De schrijvers stellen dat de Israëlieten nooit in Egypte geweest zijn en dat de Intocht in Kanaän niet heeft plaatsgevonden. Volgens Finkelstein en Silberman waren David en Salomo lokale leiders zonder enige macht. De verhalen over hen in de boeken Samuël, Koningen en Kronieken zouden verzinsels of volkslegenden zijn.

​

Finkelstein en Silberman geven in chronologische volgorde commentaar op de verhalen in de Bijbel, eerst over de aartsvaders, daarna volgt de tijd van het verblijf van Israël in Egypte, de tijd van de Uittocht uit Egypte en de Intocht in Kanaän, vervolgens de tijd van de koningen en tenslotte de periode na de Babylonische ballingschap. 

De periode van de aartsvaders is volgens de auteurs het meest omstreden. Ze geven verschillende voorbeelden van onderwerpen of benamingen die in de boeken Genesis en Exodus voorkomen, maar die volgens hen pas uit veel latere tijd bekend zijn.

​

Twee voorbeelden noemen we.

​

1. De verhalen waarin getemde kamelen voorkomen die als last- en rijdier gebruikt worden zijn onjuist, omdat in de tijd van Abraham nog geen getemde kamelen gebruikt werden.

​

2. In verschillende verhalen uit de tijd van Abraham (Genesis 21) en Isaäc (Gen. 26) worden Filistijnen genoemd, terwijl de Filistijnen zich volgens historische bronnen en resultaten van archeologisch onderzoek pas vestigden in het zuidwesten van Kanaän na 1177 v. C., dus circa 550 jaar nadat Abraham in Kanaän aankwam. De Filistijnen worden ook genoemd in Exodus 13:17 waar sprake is van de weg die door het gebied van de Filistijnen loopt, dus de kustweg. Via die weg leidde God de Israelieten niet naar Kanaan, omdat ze dan strijd zouden moeten leveren met de Egyptische troepen die gelegerd waren in de vele forten langs die weg.

​

 De komst van de Filistijnen wordt genoemd in de inscripties die Ramses III (1184-1153 v. C.) liet aanbrengen op de wanden van de tempel van Medinet Haboe. In deze inscripties wordt vermeld dat de Zeevolken, waaronder de Peleset (Filistijnen), in het achtste jaar van Ramses III (1177 v. C.) via de zee met schepen en over land Egypte aanvielen, maar door het leger en de vloot van de farao verslagen werden. Aangenomen wordt dat de Filistijnen zich na hun nederlaag of na een verblijf van enige tijd  in Egypte zich vestigden in het zuidwesten van Palestina, met nam een de vijf bekende Filistijnse steden Gaza, Askelon, Asdod, Ekron en Gath.

                                                                                                                                    J.G. van der Land

​

​

 

 

Laatste update: 16 april 2019