De onhoudbaarheid van de nieuwe chronologie

​

Geen overtuigende argumenten

​

De argumenten van drs. Van der Veen hebben ons niet overtuigd van de juistheid van de nieuwe chronologie. Zijn verwijt dat we alleen reageerden op de door de EO in oktober/november 1998 uitgezonden TV-documentaires en niet op literatuur uit de kring van Rohl, is onterecht.

​

We wilden kort na de misleidende, in oktober/november 1999 door de EO uitgezonden tv-uitzendingen over de chronologie van Rohl reageren. Eind november 1998 zonden we de directie van de EO een uitvoerige documentatie. De directie van de EO zond deze door naar Van der Veen. Pas op 23 december 1998 ontvingen we 'Farao's en de Bijbel', het in het Nederlands vertaalde en door de EO uitgegeven boek over de chronologie van Rohl. Andere publicaties van Rohl c.s. zijn nauwelijks te vinden in Nederlandse bibliotheken. Van der Veen verwees aan het eind van zijn reactie naar publicaties van aanhangers van Rohl die niet in Nederland verkrijgbaar zijn. We nemen die verwijzingen daarom niet op in dit nummer.

​

Volgens Van der Veen was het niet het doel van de EO-uitzendingen om alleen te bewijzen dat de nieuwe chronologie vaststaat. De suggestieve, eenzijdige beelden hadden wel dat effect en met name was de TV-serie misleidend, omdat er nauwelijks tegenargumenten gehoord werden. Het mag dan wel de wens van Van der Veen geweest zijn dat tegenstanders van de nieuwe chronologie een eerlijke kans zouden krijgen om tegenargumenten te laten horen, in de praktijk is dat niet gebeurd. Tegenstanders van de theorieën van Rohl kwamen nauwelijks aan het woord. Van urenlange opnamen met tegenstanders van de nieuwe chronologie bleven slechts enkele minuten over. Verschillende tegenstanders waren hierover gegriefd.

​

Ook de redactie van BGA kreeg geen gelegenheid om tegenargumenten te laten horen. Een ingezonden artikel van de redactie van BGA, als reactie op een artikel in VISIE waarin Rohls chronologie werd toegejuicht, werd geweigerd. Eenzijdige voorlichting dus. Drs. Van der Veen trok zijn al toegezegde medewerking aan het Congres van de EH en BGA over de betrouwbaarheid van de historische verhalen in.

​

Datering 20e en 21e dynastie

​

In de Nederlandse versie van het boek van Rohl staat geen chronologisch overzicht van de dynastieën 20 tot en met 25. De dateringen die gegeven worden voor het begin van de regering van Sjosjenk I spreken elkaar tegen. Rohl dateert Haremsaf, tijdgenoot van Sjosjenk I, in 776 v. C. (p. 91). In de Engelse uitgave van Rohls boek wordt het eerste jaar van Sjosjenk gedateerd in 823 v. C..

​

Dateringen voor de farao's van de 20e en de 21e dynastie ontbreken in het boek van Rohl. In een artikel van R.M. Porter over de Filistijnen, dat geplaatst is in dit nummer, wordt verwezen naar een artikel van dr. J.J. Bimson, die het op de meeste punten eens is met de nieuwe chronologie. In het achtste jaar van Ramses III (1177 v. C.) streden de 'Peleset' (Filistijnen) tegen Ramses III. Ze vestigden zich daarna in het zuidwesten van Palestina. Volgens Bimson vond de aanval van de Filistijnen op Egypte tijdens Ramses III plaats tijdens koning Joram van Juda (848-841 v. C.). Bimson brengt de aanval van de Filistijnen en de Arabieren op Juda, tijdens welke Jeruzalem veroverd werd, in verband met de vestiging van de Filistijnen in het zuidwesten van Palestina.

​

De aanval van de Filistijnen op Joram vond ruim twee jaar voor zijn dood plaats (2 Kron. 21:19) , dus in 843 v. C.. Op grond hiervan kunnen we Ramses III dateren van 850-819 v. C.. Het begin van de 20e dynastie zou dan gedateerd moeten worden in 852 v. C. en het einde ervan, met de dood van Ramses XI, in 735 v. C.. Dat laatste is onmogelijk gezien de datering van de daarna volgende 21e dynastie. Uit het reisverhaal van Wenamon blijkt dat Wenamon vertrok in het 23e jaar van Ramses XI en werd uitgezonden door Ne-su-Ba-neb-Ded, de eigenlijke naam van de latere farao Smendes. Dat zou in de nieuwe chronologie in 741 v. C. zijn. Porter dateert de reis van Wenamon echter in ca. 800 v. C., omdat hij de periode van de 20 dynastie sterk inkort. Dat is echter onmogelijk. Het gevolg is dat Rohl van ca. 820-760 v. C. de 20e, de 21e en de 22e dynastie tegelijk moet laten regeren.

​

Rohl is nog steeds bezig met een reconstructie van de dateringen van de farao's van de 20e dynastie. Hij geeft in zijn boek geen dateringen voor deze dynastie: "omdat de chronologie van de 20e dynastie zeer complex is" (p. 93). Dit is één van de zwakke punten in de nieuwe chronologie. Er is sinds enige tijd vrij veel bekend over de negen farao's van de 20e dynastie die, op de eerste na, alle de naam Ramses droegen (Ramses III t/m XI). De aantallen regeerjaren van deze farao's staan vrijwel vast. Ze bieden geen mogelijkheid voor een aanzienlijke inkorting van de 20e dynastie.

​

De Hyksos

​

In een in 1983 verschenen artikel dateerde Rohl de machtsovername van de Hyksos in Egypte in 1447 v. C. en het einde van de Hyksos-tijd in 1300 v. C.. De 18e dynastie dateerde Rohl van ca. 1300-1000 v. C.. In zijn in 1995 verschenen boek 'A Test of Time' werd het begin van de 18e dynastie gedateerd in 1194 v. C. en het einde ervan in 961 v. C.. Het begin van de Hyksos-tijd bleef gelijk, maar het eind werd 1183 v. C., zodat deze periode 264 jaar duurde.

​

Volgens Rohl vielen de Hyksos in 1447 v. C. Egypte binnen, korte tijd nadat de Isralieten uit Egypte vertrokken waren. Het waarde hechten aan het verhaal van de Egyptische priester Manetho (ca. 300 v. C.) waarin een gewelddadige inval van Hyksos in Egypte beschreven wordt, is een achterhaalde visie (p. 205-208).

​

Volgens Rohl was Avaris, een grote stad in het oosten van de Egyptische delta, "de voornaamste verblijfplaats van de Israëlieten in Egypte" (p. 199). Uit de Bijbel blijkt echter dat de Israëlieten veehouders en schaapherders waren en geen stadsbewoners (Gen. 46:32-33). Zelfs nadat ze 215 jaar in Egypte gewoond hadden waren ze de meesten van hen veehouders (Ex. 12:3-5 en Ex. 12:32). Ze woonden in het gebied Gosen, ten zuiden van Avaris. Daar bleven de meesten van hen ook wonen (Ex. 9:26).

​

De drie chronologische afwijkingen

​

Het heeft geen zin opnieuw uitvoerig in te gaan op drie belangrijke pilaren van de theorie van Rohl. De aanhangers van de nieuwe chronologie besteden veel aandacht aan enkele moeilijk verklaarbare situaties tijdens de 21e en 22e dynastie en concluderen op grond daarvan dat beide dynastieën tegelijk regeerden.

​

Er zijn verschillende verklaringen te geven voor het ontbreken van bijzettingen van Apis-stieren gedurende de 21e en de eerste helft van de 22e dynastie. Aan het eind van de 20e dynastie komt er een einde aan het bijzetten van farao's in graven in het Dal der Koningen. Daarmee kwam er een eind aan een ruim vijf eeuwen oud gebruik. Farao Smendes, de eerste van de 21e dynastie, zal ook een eind gemaakt hebben aan het gebruik om de overleden Apis-stieren bij te zetten in het Serapeüm bij Memphis. Deze dynastie had weinig macht en zetelde in Tanis, in het noorden van de delta. Het ontbreken van tombes van Apis-stieren tijdens de 21e en het eerste deel van de 22e dynastie is geen bewijs voor de hypothese dat de 21e en de 22e dynastie grotendeels tegelijk regeerden.

​

Er wordt geen bewijs geleverd dat de door ons genoemde verklaringen voor de volgorde van de mummies in de koninklijke bergplaats bij Luxor en de volgorde van de graven in Tanis onmogelijk zijn. Op grond van deze punten kan men niet een breekijzer zetten in de gehele chronologie van het Oude Nabije Oosten.

​

Genealogieën

​

Rohl wijst op enkele genealogieën om te bewijzen dat de perioden tussen bepaalde dynastieën korter zijn geweest dan aangenomen wordt in de gebruikelijke chronologie. Eén genealogie is die van Khnemibre, aangebracht op een rotswand in de Wadi Hammamat. In de inscriptie worden 14 generaties van architecten genoemd vanaf Khnemibre tot aan de tijd van Sjosjenk en daarvoor nog 8 generaties van de tijd van Sjosjenk tot aan het begin van de regering van Ramses II.

​

Khnemibre was opperbouwmeester in de tijd van Darius I. De inscriptie is aangebracht 496 v. C.. Rohl rekent met generaties van 20 jaar, wat voor aanzienlijke mensen als opperbouwmeesters beslist te kort is. Het is nauwelijks aan te nemen dat 22 generaties lang steeds weer een zoon geboren werd na gemiddeld 20 jaar. In aanzienlijke kringen trouwde men later dan onder het lagere volk. Bouwmeesters werden grondig opgeleid in alle kennis van de Egyptische bouwkunde. Volgens Rohl leefde Haremsaf, bouwmeester van Sjosjenk I, omstreeks 776 v. C., terwijl hij elders stelt dat Sjosjenk I aan de regering kwam in 823 v. C. en stierf in 803 v. C. (Engelse versie van zijn boek p. 377).

​

De inscriptie met de genealogie van Khnemibre is waarschijnlijk aangebracht bij diens dood. Khnemibre kan 64 jaar geweest zijn toen de inscriptie werd aangebracht en is dan geboren in 560 v. C.. Bij generaties van gemiddeld 28 jaar werd Haremsaf geboren in 952 v. C.. Haremsaf kan in 924 v. C. de leiding hebben gehad over de bouw van het Boebastis-poortgebouw, wat in overeenstemming is met de gebruikelijke chronologie.

​

De genealogie van Ankhefenkhons levert geen probleem op voor de gebruikelijke chronologie. Er worden kennelijk enige generaties niet genoemd. Deze genealogie is niet te rijmen met de nieuwe chronologie. Rohl maakte een ernstige rekenfout. De vader van Ankhefenkhons stierf tijdens Osorkon I en was dus volgens de nieuwe chronologie op zijn laatst geboren in ca. 830 v. C.. Ipoey, die als priester diende tijdens de begrafenis van farao Merenptah, werd 8 generaties eerder geboren. Als we korte generaties van 20 jaar aannemen werd Ipoey geboren in ca. 990 v. C.. Bij de dood van Merenptah, volgens Rohl in 856 v. C., was Ipoey dan 134 jaar. Deze genealogie is dus helemaal geen steun voor de chronologie van Rohl.

​

Rohl: Sjosjenk I was niet Sisak

​

In de gebruikelijke chronologie wordt farao Sisak, wiens veldtocht genoemd wordt in 1 Koningen 14 en in 2 Kronieken 12, gelijkgesteld aan farao Sjosjenk I. De laatste liet na zijn veldtocht naar Palestina de veroverde steden afbeelden op een muur in de tempel in Karnak. De veldtocht van Sisak wordt, op grond van de vast staande Assyrische chronologie, gedateerd in 925 v. C., het vijfde jaar van koning Rehabeam. Dat is één van de belangrijkste ankerpunten uit de gebruikelijke chronologie. De aanhangers van Rohl proberen te bewijzen dat farao Sjosjenk I niet Sisak was. Volgens Rohl zou er een tegenstelling bestaan tussen het verhaal in de Bijbel over de veldtocht van Sisak en de inscripties van Sjosjenk I over zijn tocht naar Palestina op een muur in de tempel van Karnak. Het hoofdleger van Sjosjenk I zou niet in het koninkrijk Juda geweest zijn, maar rakelings langs de noordgrens ervan getrokken zijn. Rohl stelt dat slechts één van de door Rehabeam versterkte steden door Sjosjenk I wordt vermeld.

​

Als argument wordt verder aangevoerd dat Jeruzalem niet voorkomt onder de veroverde steden die Sjosjenk vermeldt. Rohl schrijft over de tegenstelling tussen het verhaal in de Bijbel en dat in de inscripties van Sjosjenk I het volgende (Farao's en de Bijbel, p. 78):

​

"Als Sjosjenk I dezelfde is als de bijbelse Sjisjak, waarom viel hij dan zijn bondgenoot Jerobeam in Israël aan, terwijl hij tegelijkertijd een inval in het grondgebied van zijn vijand Rehabeam zorgvuldig vermeed? De ene situatie is precies het tegenovergestelde van de andere: Sjisjak valt Juda aan en trekt Jeruzalem binnen om de tempel van Jahwe te plunderen; Sjosjenk valt daarentegen Israël aan en noemt in het verslag van zijn veldtocht Jeruzalem niet als een van de veroverde steden. Kunnen we nu nog met een stalen gezicht blijven volhouden, dat de veldtocht van Sjosjenk I in Palestina werkelijk dezelfde is als die van Sjisjak uit Koningen en Kronieken?"

​

Rohl beweert vervolgens dat alle historici, egyptologen en archeologen die zich met dit onderwerp bezighouden en de gebruikelijke chronologie volgen de "overduidelijke verschillen tussen de gegevens uit beide bronnen" naast zich neerleggen.

​

Weerlegging van Rohls argumenten inzake Sisak

​

Rohl slaat de plank mis als hij stelt dat Sjosjenk I het gebied van het koninkrijk Juda "zorgvuldig vermeed". Sjosjenk I noemt onder de veroverde steden Makkeda, Roeboete, Gezer, Ajalon, Beth Horon en Gibeon. Dat waren steden in het koninkrijk Juda! Verder worden in de inscripties van Sjosjenk 9 plaatsen vermeld in de Negev die samengesteld zijn met 'phqr', het Egyptische woord voor fort. Bij opgravingen bleek dat tal van forten in de Negev die in de tijd van Salomo gebouwd werden, alle kort na zijn regering verwoest werden, zoals Tel Shera, Tel Masos, Tel Esdar, Ramat Matred, Tel Arad, Tel Malhata en Tel Ira. De tekst van de inscripties van Sjosjenk I is dus in overeenstemming met wat in de Bijbel vermeld wordt over Sisak: "Hij nam de versterkte steden van Juda in" (1 Kon. 14:25-26). Pas na de veldtocht van Sisak liet Rehabeam in 15 genoemde steden vestingwerken aanleggen om voortaan zijn gebied beter te beschermen (2 Kron. 11:6-10). Uit de ligging van de westelijke rij vestingsteden blijkt al dat de verdedigingslijn van Juda werd teruggetrokken naar het oosten. Verder liep de zuidelijke lijn van vestingsteden van Lachis via Adoraïm en Hebron naar Ziv. De ligging van de vestingsteden maakt duidelijk dat Rehabeam een als gevolg van de inval van Sisak veel kleiner geworden gebied van Juda liet beschermen. Geen wonder dat van die vestingsteden door Sjosjenk I alleen Ajalon vermeld wordt.

​

Rehabeam had in de vier eerste jaren van zijn bewind onvoldoende tijd om in 15 steden vestingwerken te voltooien. Hij had in die jaren al zijn aandacht nodig voor de bedreiging vanuit Israël waar zijn tegenstander koning Jerobeam aan de macht gekomen was.

​

In 2 Kronieken 12:9 staat niet dat Jeruzalem veroverd werd door het Egyptische leger, maar alleen dat Sisak de schatten van het huis des Heren en van het huis van de koning nam. De Septuagint heeft hier 'elaben', dat vertaald kan worden als 'meenam'.

​

In 2 Kronieken 12:6 lezen we dat God beloofde dat Zijn toorn zich niet "over Jeruzalem zou uitstorten door de hand van Sisak". Jeruzalem werd dus niet ingenomen door Sisak! Rehabeam zal onder druk van de veroveringen van andere steden in zijn land een zware schatting betaald hebben als afkoopsom voor het behoud van Jeruzalem. De verovering van de stad kon Sisak niet melden en ontbreekt daarom in zijn inscripties.

​

De Amarna-brieven

​

De Amarna-brieven worden door Rohl gedateerd van ca. 1020-1000 v. C.. Deze brieven geven een beeld van elkaar bestrijdende steden die soms samenwerkten met de Habiroe-invallers en hulp tegen hen vroegen aan Egypte. Een totaal ander beeld dan in de Bijbel gegeven wordt over de tijd van koning Saul.

​

Amarnabrief 41 werd door koning Soeppiloelioemas van het Hethietenrijk geschreven aan farao Toetanchamon bij diens troonsbestijging. Volgens de chronologie van Rohl stierf Toetanchamon in 995 v. C.. Bij zijn dood schreef zijn weduwe een brief aan Soeppiloelioemas en vroeg hem één van zijn zonen als echtgenoot te zenden. De Hethitische koning had in die tijd een groot deel van Syrië veroverd en belegerde de stad Karkemis toen hij de brief van de Egyptische koningin-weduwe ontving. Hij leefde daarna nog zes jaar. Volgens de nieuwe chronologie regeerde deze koning van 1011-989 v. C.. In de periode waarin Soeppiloelioemas de macht had over een groot deel van Syrië, volgens Rohls chronologie, veroverde David dat gebied op de Aramese koning Hadadezer die gebied tot over de Eufraat beheerste (2 Sam. 8:3 en 10:16). Van een koning van het Hethitisch rijk is tijdens David geen sprake! In de Hethitische bronnen is ook geen sprake van Arameeërs. Die waren volgens de gebruikelijke chronologie nog niet in Syrië gevestigd tijdens Soeppiloelioemas.

​

Ook zijn opvolgers Moersilis II (ca. 988-950 v. C. volgens de nieuwe chronologie) en Moewatallis II (ca. 950-923 v. C.) beheersten het gehele noorden van Syrië. De koning van de stad Hamath aan de Orontes was een vazal van deze koningen, die volgens de chronologie van Rohl tijdgenoten waren van koning David. Uit 2 Samuël 8:9-10 blijkt dat de koning van Hamath een vazal was van David.

​

Karkemis

​

De Hethitische koningen Moersilis III en Hattoesilis III (ca. 1265-1240 v. C.) leefden tijdens farao Ramses II, zoals blijkt uit brieven uit die tijd. Rohl verschuift daarom ook de dateringen van de Hethitische koningen met ca. 350 jaar. Ramses II streed in 1275 v. C. bij Kades tegen de Hethitische koning Moewatallis II (1295-1272 v. C.). Hattoesilis III regeerde volgens de nieuwe chronologie van ca. 920-890 v. C..

​

De dateringen van de koningen van Assyrië verschoof Rohl niet, omdat hun dateringen geijkt zijn door astronomische waarnemingen, zodat Rohl de betrouwbaarheid van de Assyrische chronologie moest erkennen. Het is echter niet mogelijk de Egyptische chronologie te verschuiven en de Assyrische niet. De Assyrische chronologie heeft verschillende verbindingen met die van Karkemis, terwijl Karkemis in de tijd van Ramses II nauwe banden had met de genoemde Hethitische koningen.

​

Tijdens Soeppiloelioemas I tot en met de laatste Hethitische koning regeerden in Karkemis nakomelingen van het Hethitische koningshuis van vader op zoon. De koningen van Karkemis stamden af van Pijassilis, een zoon van Soeppiloelioemas I, die zijn zoon benoemde tot koning van Karkemis. Ook de namen van alle koningen die afstamden van Pijassilis zijn bekend. De dateringen van Karkemis moeten dus ook verschoven worden als men die van het Hethietenrijk verschuift.

​

De Hethitische koning Toethalias IV (ca. 1240-1200 v. C.), een zoon van Hattoesilis III, schreef met een Assyrische koning Toekoelti-Ninoerta. De laatste was volgens de gebruikelijke chronologie de eerste Assyrische koning met die naam (1233-1197 v. C.). Volgens de chronologie van Rohl regeerde Toethalias IV van ca. 895-855 v. C.. Hij kan dan geen brief aan Toekoelti-Ninoerta I geschreven hebben. De Hethitische koning ontving een brief van een Assyrische koning Salmanassar.

​

Volgens Van der Veen schreef Toethalias IV aan Toekoelti-Ninoerta II (891-884 v. C.) en ontving niet Salmanassar I een brief van Toethalias IV maar Salmanassar III (859-824 v. C.).

​

In de nieuwe chronologie is Toethalias IV dus een tijdgenoot van Assoernasirpal II (884-859 v. C.) en van Salmanassar III (859-824 v. C.) van Assyrië. Tijdens Assoernasirpal II en Salmanassar III regeerden in Karkemis koningen met totaal andere namen dan tijdens de genoemde Hethitische koningen. Koning Soehis II (900-880 v. C.) was een tijdgenoot van Toekoelti-ninoerta II (891-884 v. C.), terwijl koning Sangara een tijdgenoot was van Salmanassar III. Uit de chronologie van de koningen van Karkemis wordt bijzonder duidelijk dat de nieuwe chronologie absoluut onhoudbaar is.

​

J.G. van der Land

​

Laatste update: 16  april 2019