Is de chronologie van Rohl onhoudbaar?

​

Reactie op de kritiek van BGA op Rohls chronologie

​

Mijn dank aan de redactie van BGA voor haar gedetailleerde kritiek op de nieuwe chronologie. Kritische beoordelingen zijn nuttig en noodzakelijk. Wij zijn ons bewust van het feit dat de reconstructie van de geschiedenis van het Oude Nabije Oosten van voor 664 v. C. een grote, zo niet onmogelijke taak is. Het jaar 664 v. C. is een zeer betrouwbaar ankerpunt in de Egyptische geschiedenis. In dat jaar werd Thebe (Luxor) geplunderd door de Assyrische koning Assoerbanipal. Twintig jaar onderzoek is een te korte periode om alle aspecten van zo'n groot project te behandelen. Vanzelfsprekend zijn veel details van de Derde Tussentijd-chronologie en de ingewikkelde synchronismen tussen het Nieuwe Rijk in Egypte en Mesopotamië nog niet volledig onderzocht.

​

De redactie van BGA schijnt de tv-documentaires niet erg nauwkeurig bekeken te hebben, daar een belangrijk punt aan haar aandacht ontsnapt schijnt te zijn. Het was vanaf het begin mijn persoonlijke wens om bekende geleerden als de professoren Manfred Bietak, Othmar Keel en de doctoren Karl Jansen-Winkeln en dr. Margreet Steiner een eerlijke kans te geven om kritiek uit te oefenen op de argumenten van Rohl. Het is nooit ons doel geweest om alleen te bewijzen dat de nieuwe chronologie vaststaat, maar meer om aan te tonen dat er misschien alternatieve manieren zijn om te kijken naar de Oude Geschiedenis en naar de problemen betreffende de vroege geschiedenis van Israël.

​

In 1996 werd in Londen een conferentie gehouden die georganiseerd was om Rohls boek 'A Test of Time' te bespreken. Daar verdedigden twee voorstanders van de nieuwe chronologie (Rohl als egyptoloog en R. Porter als archeoloog) de nieuwe theorie tegen de kritische opmerkingen van twee critici, A. Dodson (egyptoloog) en R. Chapman (archeoloog). Thans ben ik, samen met een collega uit Mecklenburg-Vorpommern, een boek aan het voorbereiden (ca. 350 pagina's) waarin de argumenten voor en tegen voor het publiek toegankelijk gemaakt zullen worden.

​

Het verbaast me enigszins dat de redactie van BGA haar argumenten baseert op wat men op tv heeft gezien en niet op het gepubliceerde materiaal over dit onderwerp. Duidelijk is dat in een tv-programma, dat primair is geproduceerd voor leken, niet alle ingewikkelde zaken van de chronologie van de oude wereld behandeld kunnen worden.

​

I Verklaringen voor de problemen

​

Het valt mij op dat de redactie van BGA geen waarde hecht aan Rohls drie voornaamste chronologische onregelmatigheden.

​

a. De ontbrekende Apis-stieren.

​

Vanaf het begin van de 21e dynastie werden de mummies van de farao's niet langer begraven in het Dal der Koningen. Wat heeft dit te maken met Memphis/Saqqara en de Apis-stieren? Zelfs als Smendes en Amenemisoe niet in staat geweest waren om de oude begrafenisgebruiken te doen herleven in Saqqara is er nog geen reden om te geloven dat deze situatie onveranderd bleef tijdens de 21e dynastie. Het ontbreken van tombes van Apis-stieren uit de tijd van de 21e dynastie kan echter gemakkelijk uitgelegd worden als we aannemen dat er een andere dynastie regeerde in Memphis, die priesters had die dienst deden in de Kleinere Gewelven van het Serapeum.

​

Sjosjenk I kan de begrafenisriten voortgezet hebben, zoals kan worden afgeleid van het feit dat er een balsemingstafel gevonden is in Mit Rahina. Wij geloven echter dat Hedjkheperre Sjosjenk, tijdgenoot van Shedsoenefertem, die op die tafel genoemd wordt, een latere Hedjkheperre Sjosjenk is, ook genoemd Sjosjenk IV, waarvan men nu denkt dat hij regeerde tussen Sjosjenk III en Pimay (Rohl, A Test of Time, p. 378, K.A. Kitchen, TIP 1996, p. xxv-xxvi). De suggestie dat de Apis-stieren tijdens de 21e dynastie waarschijnlijk elders begraven werden, wordt niet bevestigd door resultaten van archeologisch onderzoek en miskent het feit dat de Kleinere Gewelven in gebruik waren tijdens het zogenaamde hiaat.

​

b. Latere bijzetting van een mummie in de bergplaats in Deir el-Bahri.

​

De verklaring in BGA van de begrafenis van Djedptahefankh in de koninklijke bergplaats is ook niet overtuigend. Welk bewijs heeft de redactie van BGA dat de plaats waar de mummie van Djedptahefankh in de bergplaats lag verkeerd genoteerd werd? Dit argument is niet op feiten gebaseerd (A Test of Time, p. 75 e.v.).

​

c. De ouderdom van de grafkelder in Tanis met de tombe van Osorkon II.

​

Het argument dat Osorkon II zich een oudere grafkelder (misschien die van Smendes) had toegeëigend is louter speculatie. Een inscriptie in grafkelder I vermeldt duidelijk dat Kapes, de moeder van Osorkon II, deze grafkelder had gebouwd voor haar zoon (A Test of Time, p. 98). Bovendien, als er een oudere grafkelder had bestaan ten zuiden van grafkelder III, dan zouden de architecten van Psoesennes de twee extra kamers (van Wendjabaendjed en Ankhefenmoet) aan de noordelijke kant van het complex toegevoegd hebben en niet aan de zuidelijke kant. Ze waren echter niet in staat om dit te doen, omdat daar al een gebouw bestond: de eerste pyloon van de tempel van Amon, gebouwd door Osorkon II!

​

Deze drie onregelmatigheden zijn niet de enige argumenten waarop de nieuwe chronologie gebaseerd is. Drie genealogieën steunen ook de hypothese dat de tijd tussen het Nieuwe Rijk en de 22e dynastie korter moet zijn geweest: de Khnemibre genealogie van de Wadi Hammamat; de Memphitische priesterlijst (die kan worden verbonden met de Perzische periode via een andere genealogie) en de beroemde Ankhefenkhons-genealogie, die ook in BGA wordt genoemd. Onze herziene data voor de 22e dynastie zijn ook gebaseerd op archeologische vondsten uit Palestina, Syrië, Spanje en zelfs Mesopotamië (A Test of Time, p. 370-371). De redactie van BGA baseert haar interpretatie van de chronologie van de Derde Tussentijd op het boek van Kitchen en daarom is men niet in staat om het alternatief van Rohl te overwegen.

​

II De periode van de 22e dynastie

​

Men kan niet uitgaan van de door Kitchen gepubliceerde gegevens zonder de originele bronnen te raadplegen om bevestiging van zijn conclusies te krijgen. In BGA wordt vermeld dat standbeeld BM 8 van de Nijlgod aantoont dat Maatkare, de dochter van Tyetkheperre Har-Psoesennes, was getrouwd met Osorkon I, de zoon van Sjosjenk I. Als dit juist zou zijn, dan zou het uitgesloten zijn dat de dynastieën 21 en 22 langer dan kort tegelijk regeerden.

​

Wat vermeld wordt staat echter niet op het standbeeld. Er staat dat hogepriester Sjosjenk de zoon was van Osorkon, zonder een verdere naam om hem te identificeren. Het argument dat dit Osorkon was is volledig afhankelijk van de conventionele interpretatie. De Osorkon op BM 8 is in de nieuwe chronologie voorlopig geïdentificeerd met Osorkon II en niet met Osorkon I. Tyetkheperre Har-Psoesennes is dan Manetho's Psoesennes I, terwijl Akhepere Psoesennes een latere plaats krijgt in de dynastie als Manetho's Psoesennes II.

​

III Hogepriesters in de tempel van Karnak

​

De veronderstelling dat er een ononderbroken lijn van hogepriesters van Amon in Thebe bestond vanaf het eind van de 20e dynastie tot aan de 25e dynastie, zoals in BGA wordt vermeld op basis van het boek van Kitchen (pagina xliv), is ongefundeerd. Deze lijn is een moderne historische reconstructie. Rohl had al in 1986 aangetoond dat alleen de ambtsperioden van de hogepriesters Ioepoet (zoon van Sjosjenk I) en Menkheperre (21e dynastie) samenvallen in het model van de nieuwe chronologie. Hogepriester Ioepoet wordt niet genoemd in de annalen in Karnak en in de teksten over de hoogte van de Nijlstanden en komt alleen voor in de inscripties waarin Sjosjenk I zijn overwinning vermeldt. Daarom kan hij niet officieel erkend zijn door de Thebaanse hogepriesters. De hogepriesters Ioewelot en Smendes waren geen zonen van Osorkon I, maar - zoals uit de tekst blijkt - van een Osorkon. Opnieuw is de bijnaam niet bekend. Volgens ons wordt Osorkon II bedoeld. Volgens Rohl stierf de hogepriester Psoesennes (21e dynastie) in het 5e jaar van Osorkon II. Dus is de lijn van bekende hogepriesters in deze periode niet in strijd met de nieuwe chronologie. Bekend is dat tijdens de 21e dynastie verschillende hogepriesters tegelijk regeerden (Menkheperre en Pinodjem) en ook tijdens de 22e dynastie (Osorkon B, de latere farao Osorkon III en Harsiese). Sommige troonopvolgers tijdens de 22e dynastie die de titel van hogepriester droegen, waren alleen in naam hogepriester, zoals Harnakht, zoon van Osorkon II, die stierf toen hij negen jaar oud was.

​

IV De tijdsruimte voor de 22e dynastie

​

Volgens de redactie van BGA zijn in de nieuwe chronologie slechts 85 jaren beschikbaar voor de gehele 22e dynastie. Volgens ons begon Sjosjenk I te regeren in 823 v. C.. Wij plaatsen het eind van de regering van Sjosjenk V in ca. 670 v. C. (Rohl, A Test of Time, p. 376-378). Wij kennen dus aan de 22e dynastie 153 jaar toe.

​

R. Porter heeft onlangs aangetoond dat de tijd tussen Hedjkheperre, Sjosjenk I en Osorkon III wat korter geduurd kan hebben dan algemeen wordt aangenomen (5-6 generaties). Dus er kunnen slechts 7 of 8 generaties geweest zijn tussen Sjosjenk I en Sjosjenk V. Dit zou min of meer in overeenstemming zijn met de nieuwe chronologie. Er is ook geen bewijs dat Osorkon I 33 jaar regeerde. Waarschijnlijk behoort het jaar 33 dat voorkomt op het linnen rond de mummie van Nakhtefmoet tot een andere farao die een tijdgenoot van Osorkon kan zijn die tot de 21e dynastie behoort, namelijk Tyetkheperre Har-Psoesennes, die 49 jaar regeerde.

​

V Negen generaties

​

Rohl heeft elders de genealogie van Ankhefenkhons besproken en aangetoond dat de regeringen van Osorkon I en Ramses II slechts gescheiden waren door negen generaties (A Test of Time, p. 379-381). Rohl betoogt dat, als Ipoey als priester diende bij de begrafenis van farao Merenptah, hij waarschijnlijk al een oude man was. Ipoeys vader, Roma, had gediend als tweede profeet van Amon gedurende de eerste regeringsjaren van Ramses II.

​

In de gebruikelijke chronologie is het onmogelijk dat er negen generaties zijn tussen Osorkon I in 920 v. C. en de eerste jaren van Ramses II in het eerste kwart van de 13e eeuw v. C., tenzij we bereid zijn generaties van gemiddeld 38 jaar aan te nemen. Het lijkt me toe dat de redactie dit probleem niet onderkend heeft. In feite is de genealogie van Ankhefenkhons een sterke steun voor de hypothese dat de periode tussen Ramses II en de 22e dynastie aanzienlijk korter was dan algemeen wordt aangenomen.

​

VI De veldtocht van Sisak

​

Het is waar dat de taalkundige overeenkomst tussen de namen Sisak en Sjosjenk opmerkelijk is. Maar dat sluit niet uit dat het mogelijk is dat Sisak de naam was van een andere Egyptische farao en een afkorting was van Ramses - Sisa - welke naam in het Akkadisch (de diplomatieke taal van Laat Brons I) geschreven werd als Shesha.

​

De letter qoph in het Hebreeuws kan uitgelegd worden als een woordspel, een verschijnsel dat vaak voorkomt in verhalen in de Bijbel. J. Bimson heeft aangetoond dat de veldtochten van Sisak en Sjosjenk niet met elkaar overeenkomen. Het argument dat Jeruzalem niet genoemd wordt in de veldtocht van Sjosjenk omdat het niet veroverd werd, is niet terecht. Als Jeruzalem schatting had betaald, dan zou de stad zeker beschouwd zijn als een stad die onder Egyptische controle stond. Bovendien gewagen de teksten in de Bijbel van het plunderen van Jeruzalem, en niet van het betaling van schatting. Verder staat in 2 Kronieken 12:8 duidelijk dat de Judeeërs de koning van Egypte dienden. Waarom gaat de redactie aan dit vers voorbij?

​

VII Veroverde Ramses II Jeruzalem?

​

Volgens mij kan de stad Salem die door Ramses II veroverd werd in zijn 8e jaar met geen andere stad in Palestina geïdentificeerd worden dan met Jeruzalem. In de inscriptie op de noordelijke pyloon van het Ramesseum worden waarschijnlijk de steden niet in geografische volgorde genoemd, maar als hoogtepunten van de veldtocht. Ramses II nam inderdaad de steden Merom, Kerep enz. in, maar dat betekent niet dat hij geen stad in het zuiden kan hebben ingenomen op zijn terugtocht naar Egypte of tijdens zijn veldtocht tegen Moab.

​

In BGA wordt terecht gesteld dat Seti streed in Jordanië en Syrië. In de nieuwe chronologie zou dit tijdens de laatste jaren van Salomo's regering zijn geweest. Over dit deel van Salomo's regering wordt weinig geschreven in de Bijbel. Toch lezen we dat dit de tijd was dat Salomo uit de gunst raakte bij zijn volk. In deze tijd schijnt hij verschillende buitenlandse vijanden gehad te hebben (1 Kon. 11:14 e.v. en 12:4 e.v.). Maar waarom kan Seti I niet als een vriend en bondgenoot van Salomo opgetreden zijn, met Beth Sean als een Egyptisch fort en handelscentrum (R. Porter, Shishak, Ramesses II of Ramesses III?, C&CR XVI, 1994, p. 11-12).

​

Tussen de Egyptische grafvondsten in het St. Etienne klooster in Jeruzalem ontdekte professor Gabriel Barkay een hartvormige scarabee met de cartouche van Seti I erop. Volgens Rohl waren deze voorwerpen van Salomo's Egyptische koningin. Deze prinses (een dochter van Horemheb) schijnt gestorven te zijn tijdens de regering van Seti I.

​

VIII De Amarna-brieven

​

Volgens de redactie was Labayoe koning van Sichem. De Vaux toonde lang gelegen aan dat er geen bewijs is dat Sichem de hoofdstad van Labayoe was (R. de Vaux, The Early History of Israel, vol. 2, 1978, p. 801). Er is slechts één verwijzing naar "het land van Sichem" (Amarna-brief 289) wanneer vermeld wordt dat Labayoe een gedeelte van het land van Sichem aan Habiroe-soldaten had toegekend, waarschijnlijk in ruil voor militaire diensten. Daaruit blijkt alleen dat het heuvelland rond Sichem binnen het gebied van Labayoe lag. Labayoe bezat vele steden waarvan er twee (waaronder zijn vaderstad) in het begin van zijn regering door zijn vijanden werden bezet (Amarna-brief 252).

​

Volgens de redactie van BGA blijkt uit de boeken van Samuël niets van een Egyptische heerschappij over Kanaän tijdens Saul. Maar de boeken Koningen vermelden ook niet dat Jehu, Joas en Manasse schatting betaalden aan de koning van Assyrië. Dit weten we alleen uit Assyrische bronnen. Tijdens de Amarna-periode was Egypte betrekkelijk zwak geworden en moest steunen op zijn vazallen om de veiligheid in Palestina te handhaven. Net als Labayoe wist Saul niets van de steun van zijn zoon Jonathan aan de Habiroe-rebellen onder leiding van David, die als bendeleider leefde in de heuvels van Juda (1 Sam. 22:6 e.v. en 23:1 e.v.).

​

Hoewel het oorspronkelijke plan was om Labayoe levend naar de farao te sturen, werd Labayoe op het slagveld bij Jizreël gedood (Amarna-brief 245). Waarschijnlijk werd Labayoe gedood door soldaten van de koning van Gath die berichtte dat hij de Habiroe gedood heeft (Amarna-brief 366). Volgens vele geleerden was het bedoelde Habiroe-hoofd Labayoe. Daarom is het niet juist om te stellen dat alleen de mensen van (het land van) Gina verantwoordelijk waren voor Labayoe's dood.

​

Volgens ons verraadden ze Labayoe/Saul en hun verraad stelde zijn vijanden in staat om met hun strijdwagens de zacht glooiende, zuidelijke hellingen van het Gilboa-gebergte op te rijden. De twee niet genoemde zonen van Labayoe waren Moetbaäl/Isbaäl en David (de schoonzoon van de koning), die onmiddellijk na Sauls dood optraden als bondgenoten totdat een burgeroorlog tussen hen uitbrak. Het is ook mogelijk dat Isbaäl als bondgenoot van David optrad gedurende de laatste fase van het koningschap van David in Hebron. In die tijd was David duidelijk nog een vazal van de Filistijnen, wat ook in overeenstemming is met de Amarna-brieven 287 en 289.

​

Moetbaäl regeerde over de stad Pella (Amarna-brief 256). Pella ligt dichtbij Khirbet Mahna dat we (in overeenstemming met een aantal vroegere geleerden) identificeerden als het in de Bijbel genoemde Mahanaïm. Pella was zowel tijdens Vroeg IJzer als tijdens Laat Brons bewoond. Het is nauwelijks te geloven dat Isbaäl niet ook over deze strategisch gelegen stad regeerde die lag aan een belangrijke weg tussen het Jizreël-dal en de Koningsweg. Sommige latere koningen van Israël zetelden in verschillende koninklijke steden, zoals bijvoorbeeld Jerobeam I in Sichem, Pniël en mogelijk in Tirza, en Achab in Samaria en Jizreël. Hetzelfde geldt ook voor een aantal Syrische koningen. Het geeft daarom geen probleem als Moetbaäl/Isbaäl vanuit Pella schreef.

​

Inderdaad worden de Filistijnen in de Amarna-brieven geen 'Peleset' genoemd, maar J. Bimson heeft aangetoond dat de Filistijnen zich al in zuidelijk Palestina gevestigd hadden tijdens Midden Brons I en de Kanaänitische cultuur hadden overgenomen tijdens Laat Brons I (JACF IV, p. 58-76). De in de Amarna-brieven vermelde koningen van Gath, Ashkelon enz. kunnen de Filistijnse vorsten geweest zijn die we kennen uit de Bijbel.

​

IX De archeologie van Laat Brons Palestina

​

Volgens de redactie van BGA was Hazor een Kanaänitische stad tijdens Laat Brons I en kan niet geregeerd zijn door Salomo. Wat bedoelt de redactie met Kanaänitisch? Uit de Bijbel blijkt duidelijk dat Salomo hoogten liet bouwen voor een groot aantal buitenlandse afgoden (1 Kon. 11:5 e.v.).

​

Het kan ook niet uitgesloten worden dat sommige standbeelden die de stormgod voorstellen, in feite standbeelden zijn van Yahweh, die in de Bijbel wordt voorgesteld als een stormgod die zijn vijanden Mot en Litanoe verslaat (Psalm 18, 74, 89, 93 etc.). Jerobeam heeft waarschijnlijk ook beelden van gouden stieren laten maken die Yahweh voorstellen als 'de God die u uit Egypte leidde'. Volgens Glen Taylor werd Yahweh zelfs als een zonnegod vereerd. BGA is blijkbaar niet bekend met deze literatuur.

​

Dat in Megiddo een standbeeld van Ramses VI is gevonden betekent niet noodzakelijk dat Egypte in die tijd de macht had over Israël. De farao's Sjosjenk I en Osorkon I zonden hun standbeelden als geschenken naar de koningen van Byblos (Abibaäl en Elibaäl) die op hun beurt de standbeelden opdroegen aan de godin van Byblos. Dat betekent niet dat Byblos in die tijd door Egypte bezet was.

​

Dat Dor, Ashkelon, Ashdod en Gezer werden bezet door de Zeevolken aan het begin van IJzer I is niet in strijd met de nieuwe chronologie. Bimson heeft aangetoond dat er een nieuwe golf van immigranten uit het Egeïsche gebied kwam tijdens de regering van koning Joram van Juda toen de macht van de Filistijnen weer toenam. De Filistijnen en Arabieren vielen Jeruzalem aan (2 Kron. 21:16-17 en 22:1). Dit gebeurde rond 840 v. C. (Bimson JACF IV, p. 74).

​

X Mesopotamische chronologie

​

Tot slot enkele opmerkingen over de Assyrische en Babylonische koningen die contact hadden met Egypte tijdens het Nieuwe Rijk. De Mesopotamische chronologie is zeker een probleem voor de nieuwe chronologie. Dat hebben we nooit ontkend. Het is een moeilijk probleem. We werken nu aan een herziening van de Mesopotamische chronologie. Het verschuiven van de Assyrische en Kassitische chronologie is een ontmoedigende uitdaging. We zoeken naar een nog niet bekende Assoer-oeballit die een tijdgenoot was van Amenhotep IV rond 1010 v. C.. De ambtenaar van 1007 v. C., tijdens de regering van Assoerrabi II, noemt een fragmentarische naam 'Ashur(u)ba(lit)' (KAV 21) die de Assoer-oeballit geweest kan zijn naar wie we zoeken. Een Babylonische brief bevestigt dat de politieke situatie in Assyrië verward was en dat er gelijktijdig twee koningen regeerden.

​

Ik heb in een eerder artikel aangetoond, evenals P. James (Centuries of Darkness, p. 340 e.v.), dat de koningen Toekoelti-Ninoerta (KbO XVIII, 25, KUB III, 74, KUB XXVI, 70) en Salmanasser (KUB XXIII, 99 en 88) brieven ontvingen van de Hethitische koning Toethaliyas IV. Deze Assyrische koningen kunnen in werkelijkheid Toekoelti-Ninoerta II en Salmanasser III geweest zijn. Ik wil er nog aan toevoegen dat de astronomische herberekeningen door W. Mitchell voor de chronologie van het oude Babylonische rijk, gebaseerd op computerprogramma's van prof. P. Huber, de nieuwe chronologie in sterke mate lijken te steunen (Rohl, A Test of Time, p. 237 e.v.). Nogmaals wil ik benadrukken dat ik de kritiek van de redactie van BGA waardeer. Hopelijk wil de redactie de tijd nemen om de meer gedetailleerde discussies die vermeld worden in de toegezonden literatuurlijst te bestuderen.

​

drs. P.G. van der Veen

Laatste update: 16  april 2019