De door BGA verdedigde chronologie

 

Welke chronologie van Israël is in overeenstemming 

met de chronologie van het Oude Nabije Oosten?

 

Noch de vroege datering (ca. 1445 v. C.) noch de late datering (ca. 1260 v. C.) van de Uittocht biedt een oplossing om gegevens uit de Bijbel in overeenstemming te brengen met die van historische bronnen.

 

BGA verdedigt een bijbelse chronologie die dat wel mogelijk maakt.

 

Om na te gaan of een verhaal in de Bijbel over een belangrijke gebeurtenis in overeenstemming is met gegevens die het resultaat zijn van opgravingen, is een juiste datering van de gebeurtenis nodig. Als het verhaal in de Bijbel over de inname van Jericho betrouwbaar is, dan moet deze stad in de tijd van de Intocht van de Israëlieten nog een versterkte stad geweest zijn. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat er na ca. 1350 v. C. geen versterkte stad Jericho meer bestond.

 

Als de Intocht van de Israëlieten in Kanaän plaatsvond in ca. 1220 v. C., zoals vele wetenschappers die zich bezighouden met bijbelse archeologie beweren, dan zou het verhaal in Jozua 5 en 6 over de verovering van Jericho een verzinsel zijn.

 

Datering van de Uittocht is een centraal punt

 

Een centraal punt in de bijbelse chronologie is de datering van de Uittocht van Israël uit Egypte, omdat tal van andere dateringen, zoals die van de Intocht, daarvan afgeleid kunnen worden. In Egyptische teksten is geen enkele verwijzing naar de Uittocht van de Israëlieten gevonden. De Egyptische farao's legden in teksten op muren van tempels of op gedenkstenen alleen successen vast. Rampen en nederlagen werden niet vastgelegd.

 

De twee meest verdedigde dateringen van de Uittocht zijn de vroege en de late datering van de Uittocht, respectievelijk in ca. 1445 en in ca. 1260 v. C..

 

De vroege datering is gebaseerd op een chronologisch gegeven in sommige grondteksten van 1 Koningen 6:1. De Uittocht vond plaats 480 jaar voor het begin bouw van de tempel van koning Salomo. Het begin van de tempelbouw wordt algemeen gedateerd in ca. 966 v. C..

 

De late datering is gebaseerd op bepaalde interpretaties van opgravingen. Van beide dateringen is aan te tonen dat ze onhoudbaar zijn en dat ze geen oplossing bieden als we ervan uitgaan dat de Bijbel historisch betrouwbaar is.

 

De vroege datering van de Uittocht in ca. 1446 v. C.

 

Lange tijd is verdedigd dat de Uittocht uit Egypte plaatsvond in ca. 1446 v. C., op basis van 1 Koningen 6:1. Tegenwoordig is er veel meer zekerheid over de dateringen van de Egyptische farao's. Volgens de thans gangbare chronologie regeerde in het jaar 1446 v. C. farao Thoetmoses III in Egypte. Vanwege de volgende redenen kan hij niet de farao geweest zijn tijdens wie de Uittocht plaats had:

 

1. Rond 1445 v. C. maakte Thoetmoses III grote veldtochten naar Azië. Dat zou niet mogelijk geweest zijn als de elitetroepen van de farao omkwamen in de Schelfzee en alle eerstgeboren zonen in Egypte stierven. Na zo'n enorm verlies aan mankracht zou een Egyptische farao lange tijd geen grote veldtochten hebben kunnen maken.

 

2. Thoetmoses III werd in 1425 v. C. opgevolgd door zijn oudste zoon Amenhotep II. Volgens de Bijbel stierf de oudste zoon van de farao kort voor de Uittocht (Ex. 12:29).

 

3. Als de Uittocht plaatsvond in ca. 1446 v. C. dan verdronk de farao niet in de Schelfzee, want Thoetmoses III regeerde nog ruim 20 jaar daarna. Uit Exodus 14:6, 7 en 8:17 blijkt dat de farao aan het hoofd van zijn leger Israël achterna trok. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat de krijgshaftige farao Thoetmoses III aan de oever van de Schelfzee bleef toekijken hoe zijn leger Israël achterna trok, het pad op dat in de zee was ontstaan en zelf op de oever bleef toekijken.

 

Conclusie

 

Bij de vroege datering zijn verschillende gegevens in het boek Exodus niet in overeenstemming met wat we weten uit historische bronnen. De onhoudbaarheid van deze datering leek nog duidelijker bewezen te worden door nieuwe argumenten van de voorstanders van de late datering.

 

Argumenten voor de late datering van de Uittocht

 

1. De Israëlieten moesten volgens Exodus 1:11 voor de farao de steden Pithom en Raämses bouwen. Voorraadsteden worden ze genoemd. Waarschijnlijk is een betere vertaling: vestingsteden. De naam Raämses wijst erop dat deze stad gebouwd werd in opdracht van farao Ramses II (1279-1213 v. C.). Aangenomen moet daarom worden dat de Israëlieten nog tijdens Ramses II in Egypte verbleven en dat de Uittocht plaatsvond tijdens Ramses II.

Farao Ramses II

 

De egyptoloog Montet groef in de jaren dertig in het Noordoosten van de Nijldelta het tempelgebied van de stad Tanis op. Montet nam aan dat Tanis de plaats van Raämses was. Er werden namelijk in Tanis tal van beelden gevonden met cartouches van Ramses II. Er werd geen voorwerp gevonden dat ouder was dan de tijd van Ramses II. De Israëlieten kunnen dus niet voor Ramses II bij het bouwen aan Raämses slavenarbeid verricht hebben. De conclusie van Montet luidde: de Israëlieten waren nog in Egypte tijdens Ramses II. De Uittocht moet tijdens de regering van Ramses II plaatsgevonden hebben, dus pas in de 13e eeuw v. C..

 

2. De Amerikaanse archeoloog Nelson Glueck deed in de jaren dertig onderzoek naar nederzettingen in gebieden ten oosten van de Jordaan. Hij kwam tot de conclusie dat er tussen ca. 1900 en ca. 1300 v. C. vrijwel geen mensen woonden in dat gebied. Ook in de gebieden van de latere koninkrijken Edom en Moab bestond volgens Glueck in de genoemde periode zo goed als geen bewoning.

 

In Numeri en Deuteronomium wordt meermalen geschreven over de koninkrijken Edom en Moab. De Israëlieten stuitten in het gebied ten oosten van de Jordaan op de sterke tegenstand van de koninkrijken van Sihon en Og en veroverden daar vele steden (Deut. 3:4-10). De Intocht kan daarom pas na 1300 v. C., in de 13e eeuw v. C., gedateerd worden.

 

3. Bij opgravingen in de jaren dertig werden in een aantal steden in Palestina verwoestingslagen gevonden die gedateerd werden rond 1220 v. C.. Dat is een aanwijzing dat de Israëlieten toen Kanaän zijn binnengevallen en steden als Lachis, Bethel, Debir en Hazor verwoest hebben.

 

Dit leken sterke argumenten. Latere opgravingen toonden aan dat ze onhoudbaar waren.

 

Weerlegging

 

1. Raämses

 

In 1966 begonnen onder leiding van de Oostenrijkse archeoloog M. Bietak opgravingen in Tell el-Dab‘a, in het oosten van de delta, ongeveer 25 km ten zuiden van Tanis. Na de uitgebreide opgravingen in Tell el-Dab‘a staat vast dat daar het zuidelijk gedeelte van Pi-Ramesse, het in Exodus 1:11 genoemde Raämses lag en niet op de plaats van Tanis.

 

De verklaring voor het feit dat in Tanis zoveel standbeelden en steenblokken gevonden werden met de cartouches van Ramses II erop is dat sinds ca. 1070 v. C. op grote schaal stenen losgebroken werden uit gebouwen in Pi-Ramesse en overgebracht werden naar Tanis voor de bouw van de nieuwe hoofdstad. Ook vele standbeelden werden naar het 25 km noordelijker gelegen Tanis vervoerd. De stad Pi-Ramesse raakte namelijk na ca. 1100 v. C. in verval, omdat de Nijlarm, waaraan de stad gelegen was verzandde.

 

De overplaatsing van de standbeelden gebeurde soms zo ruw dat verscheidene standbeelden die gevonden werden in Tanis hun oorspronkelijk voetstuk verloren bleken te hebben. Van een standbeeld van Ramses II - vervaardigd uit natuursteen en gevonden in Tanis - bleken de tenen vervangen te zijn door tenen van klei. De oorspronkelijke tenen van natuursteen werden in 1955 ontdekt in Pi-Ramesse, in Qantir, 2 km ten noorden van Tell el-Dab‘a.

 

Daarmee was onomstotelijk bewezen dat monumenten in Tanis, met de cartouches van Ramses II erop, verplaatst waren vanuit Pi-Ramesse.

 

Een belangrijk argument voor de stelling dat de Uittocht moet hebben plaatsgevonden tijdens Ramses II bleek op een misvatting van geleerden te berusten.

 

Tijdens de opgravingen in Tell el-Dab‘a bleek dat reeds eeuwen voor Ramses II op die plaats een stad bestond. Tijdens de opgravingen in Tell el-Dab‘a bleek dat daar ca. in 1500 v. C. een fort van tichelstenen gebouwd werd dat tevens als paleis dienst deed. Deze vesting zal behoord hebben bij de voorraadstad die gebouwd werd in het begin van de slavenarbeid van het volk Israël. De voorraadstad was bedoeld als uitvalsbasis van het Egyptische leger. Thoetmoses I (1493-1481 v. C.) maakte veldtochten naar Palestina en Syrië.

 

De naam van de voorraadstad is door een latere redacteur van Exodus gewijzigd in het in zijn tijd bekende Raämses. Dat de stad door een latere redacteur zo genoemd werd, is geen bewijs voor de datering van de tijd waarin daar door Israëlieten slavenwerk verricht werd.

 

2. De argumenten van Glueck

 

Edom, Moab en de Oost-Jordaanse koninkrijken kunnen niet bestaan hebben voor de 13e eeuw v. C.. Latere opgravingen ten oosten van de Jordaan hebben de conclusies van Glueck volledig weerlegd. Nieuwe plaatsen in het gebied ten oosten van de Jordaan werden onderzocht, maar ook werd een aantal plaatsen waar Glueck onderzoek had gedaan, opnieuw bestudeerd. De conclusie op grond van uitvoerig onderzoek luidde dat er in het gebied ten oosten van de Jordaan geen sprake was een onderbreking van de bewoning tussen ca. 1900 en 1300 v. C.. Er hebben in dat gebied ook in de 14e en de 15e eeuw steden bestaan. Er zijn intussen al meer dan 50 nederzettingen uit deze periode ontdekt (zie verder het artikel Bestonden er geen steden ten oosten van de Jordaan voor ca. 1250 v. C.?).

 

3. De verwoestingslagen

 

Uit nauwkeurig archeologisch onderzoek is de laatste jaren ook gebleken dat er geen sprake was van een reeks van verwoestingen van steden in Kanaän rond 1220 v. C.. Nauwkeuriger onderzoek leidde tot de conclusie dat de data van de verschillende verwoestingen ver uiteenlopen. Er ligt zeker 80 jaar tussen de eerste en de laatste verwoesting. De verwoestingen in de 13e eeuw hebben dus niets te maken met de veldtochten van de Israëlieten die in korte tijd plaatsvonden.

 

Hazor

 

De verwoesting van de laatste Kanaänitische stad Hazor (laag XIII) werd door Y. Yadin op grond van in die laag gevonden Myceens IIIB aardewerk gedateerd in ca. 1230 v. C.. Later bleek dat het gebruik van Myceens IIIB aardewerk doorloopt tot zeker 1190 v. C.. In Deir‘Alla is namelijk dat type aardewerk gevonden in een verwoestingslaag waarin ook een vaas gevonden werd met een cartouche van de vrouwelijke farao Twosret (ca. 1188-1186 v. C.). Uit vondsten in Oegarit bleek dat Myceens IIIB aardewerk zeker nog tot 1200 v. C. in gebruik was. De verwoesting van laag XIII in Hazor werd daarom door V. Fritz gedateerd in het begin van de twaalfde eeuw vo. C..

 

Na de verwoesting van het laatste Kanaänitische Hazor, in ca. 1200 v. C., werd deze plaats gedurende enkele eeuwen niet of slechts spaarzamelijk bewoond. Als de verwoesting van laag XIII toegeschreven zou moeten worden aan de Israëlieten onder leiding van Jozua en toen het laatste Kanaänitische Hazor verwoest was, zou het verhaal in Richteren 4 een onbetrouwbaar verhaal zijn. In dit hoofdstuk gaat het over de onderdrukking van Israël door koning Jabin, die regeerde te Hazor en over de strijd van Barak en Debora tegen hem, meer dan een eeuw na de Intocht. In Richteren 4:14 staat dat de Isralieten op den duur koning Jabin wisten te vernietigen. Eeuwenlang na de verwoesting van laag XIII was de plaats waar Hazor lag vrijwel onbewoond. Er was geen sprake meer van een Kanaänitische stad. Ook in het licht van de gegevens uit Richteren 4 kan laag XIII in Hazor dus niet door de Israëlieten onder leiding van Jozua verwoest zijn.

 

Lachis

 

De verwoesting van de Laat Brons stad Lachis (laag VI) werd aanvankelijk gedateerd in ca. 1220 v. C.. Die verwoesting ging gepaard met een zware brand en werd in verband gebracht met de aanval op Lachis onder leiding van Jozua. De datering ca. 1220 v. C. werd gebaseerd op opschriften op een kom die in de verwoestingslaag gevonden werd. De opschriften zijn geschreven in een schrift daterend uit de tijd van farao Merenptah of een latere farao en luiden: "Jaar 4, maand van de overstroming, dag 6" en "jaar 4, maand 2 van de zomer, dag 1."

 

Volgens W.F. Albright zijn het dateringen uit de tijd van Merenptah. Op grond van de oude datering van Merenptah zou diens vierde jaar ca. 1230 v. C. geweest zijn en de verwoesting van Lachis zou in of kort na dat jaar plaatsgevonden hebben. Thans dateert men Merenptah van 1213-1203 v. C. en het vierde jaar zou 1210 v. C. zijn.

 

In 1980 werd in een bergplaats onder dezelfde laag VI een stuk brons gevonden met een cartouche van farao Ramses III (1184-1153 v. C.). Eerder waren al scarabeeën met de naam van Ramses III erop gevonden. Deze vondsten maakten het noodzakelijk om de opvatting te herzien dat Lachis tegen het eind van de 13e eeuw v. C. verwoest werd.

 

Het stuk brons met de cartouche van Ramses III erop was een gedeelte van een bronzen voorwerp en lag samen met andere stukken brons in een bergplaats, waarschijnlijk met de bedoeling ze weer te smelten. Het bronzen voorwerp kan pas na de troonsbestijging van Ramses III naar Lachis gebracht zijn. Daarna verliep enige tijd voor het afgedankt werd. Tijdens Ramses III stond Lachis nog onder sterke invloed van Egypte. Daarom is het waarschijnlijk dat de verwoesting van het laatste Kanaänitische Lachis door een grote brand pas ca. 1150 v. C. plaatsvond.

 

Aan het einde van de 13e eeuw v. C. heeft een beperkte verwoesting in Lachis plaatsgevonden waarbij enkele gebouwen in laag VII verbrandden.

 

Debir

 

W.F. Albright leidde in de jaren 1926-1932 opgravingen in Tell Beit Mirsim dat hij identificeerde met Debir. Hij ontdekte een verwoestingslaag daterend uit het laatste deel van de 13e eeuw en schreef die toe aan de Israëlieten. Bij latere opgravingen kwamen Israëlische archeologen, onder andere M. Kochavi, tot de conclusie dat Tell Beit Mirsim niet de plaats is van het vroegere Debir. Vrijwel algemeen wordt nu Debir thans geïdentificeerd met Khirbet Rabud, dat ruim 6 km naar het zuidoosten ligt. Daar bleek geen verwoestingslaag daterend van ca. 1200 v. C. te zijn.

 

A. Mazar concludeert in Archaeology of the Land of the Bible: "De dateringen van de verschillende verwoestingen verschillen aanzienlijk. Er is dus geen sprake van een verwoestingsgolf gedurende dezelfde militaire campagne."

 

Verwoestingen die over een periode van bijna honderd jaar verspreid zijn, kunnen niet het gevolg zijn van de veroveringstochten onder leiding van Jozua, omdat die slechts zeven jaar duurden.

 

De drie belangrijkste argumenten ter verdediging van het dateren van de Uittocht in de 13e eeuw v. C. bleken na nader onderzoek onhoudbaar te zijn.

 

Andere argumenten tegen datering van de Uittocht in de 13e eeuw v. C.

 

Als de Israëlieten tijdens Ramses II, in 1260 v. C., uit Egypte vertrokken zou zijn, dan zouden ze ruim een jaar later in Kades Barnea aangekomen zijn. Israël verbleef bijna 38 jaar (Deut. 2:14) in de omgeving van Kades Barnea, ongeveer 80 km verwijderd van de Egyptische forten ten zuiden van de garnizoensstad Gaza.

 

Er lagen in de 13e eeuw v. C. 20 Egyptische forten aan de Horusroute langs de kust tot aan Gaza (in de tijd van het Nieuwe Rijk, 1539-1069 v. C.) in totaal 60 plaatsen langs deze route. In Haruvit, ten oosten van el-Arisj, is een groot Egyptisch bestuurscentrum ontdekt, daterend uit de 14e eeuw v. C.. Daar werd in de 13e eeuw v. C. een groot fort gebouwd. In Deir el-Balah, aan het einde van de Horusroute, lag een belangrijke Egyptische basis, daterend uit de 14e eeuw v. C.. In de 13e eeuw werd een fort gebouwd. Verder zijn Egyptische forten ontdekt in het noorden van de Negev, daterend uit de tijd van Seti I en Ramses II. In Tell-el Ajjul (ca. 6 km zw van Gaza) en in Tell el-Far‘ah (Z) (25 km zw van Gaza) bestonden Egyptische bestuurscentra. Er bestond dus tijdens Seti I en Ramses II een netwerk van Egyptische militaire en bestuurscentra langs het noorden van de Negev.

Farao Seti I

 

J. Weinstein merkte in zijn artikel 'The Egyptian Empire in Palestine' op dat de Egyptische betrokkenheid bij Kanaän in de 13e eeuw v. C. anders was dan in vroegere eeuwen toen men Palestina alleen economisch benutte met inzet van zo weinig mogelijk militairen. Er bestonden in de 14e eeuw slechts in enkele steden kleine garnizoenen. In de 13e eeuw trokken vele Egyptische bestuursambtenaren en militairen naar Palestina. De Egyptische controle van Palestina was omvangrijker dan in eerdere tijden.

 

Ook I. Singer concludeerde in een artikel over Merenptahs veldtocht in Kanaän dat recente opgravingen in Palestina duidelijk gemaakt hebben dat er pas sinds de 19e dynastie en tijdens het begin van de 20e dynastie sprake was van een direct Egyptisch bestuur over grote delen van Kanaän, terwijl de farao's van de 18e dynastie slechts vanuit enkele bestuurscentra, zoals Gaza en Jaffa, invloed uitoefenden.

 

De Egyptische aanwezigheid in Kanaän tijdens Seti I en Ramses II blijkt uit vele inscripties en scarabeeën. Verder is er ook veel Egyptisch aardewerk uit deze periode gevonden. Tijdens Ramses II waren er Egyptische tempels in Afek, Gaza, Askelon, Serabit el-Khadim en Timna.

 

Tijdens Ramses II waren de mijnen in Serabit el-Khadim in gebruik. Op stèles in de tempel van Serabit el-Khadim wordt vermeld dat de mijnen bewaakt werden door Egyptische soldaten. Ook de mijnen in Timna, ten noorden van de Golf van Aqaba, werden tijdens Ramses II geëxploiteerd. Zowel in Serabit el-Khadim als in Timna bestonden tempels die gewijd waren aan de Egyptische godin Hathor. Deze tempels werden gebruikt door het Egyptische mijnpersoneel. De eerste koningsnaam die in Timna voorkomt is die van Ramses II. Dat alles bewijst dat Egypte toen een flinke greep had op met name het noordelijk deel van de Sinaï.

 

Hoe zouden de Israëlieten dan in dat gebied in die tijd jarenlang ongestoord hebben kunnen rondzwerven?

 

Waarom heeft Ramses II, als hij de farao van de Uittocht was, de Israëlieten die zich ophielden in de omgeving van Kades-Barnea niet aangevallen? Hij kon snel een groot leger mobiliseren. In zijn 19e regeringsjaar, in 1261 v. C., bracht hij tijdens een ernstige crisis tussen Egypte en het Hethietenrijk, een groot leger in Kanaän op de been. Uit een inscriptie (vierde wintermaand, dag 1, jaar 18) op een stèle van Ramses II, gevonden in Beth-Sean, blijkt dat hij toen troepen legerde in Beth-Sean en Megiddo. Zou hij dan niet tegen Israël, dat op een voor hem zo smadelijke manier uit Egypte ontsnapt was en onder handbereik was - slechts 50 km ten zuidwesten van het Egyptische bestuurscentrum in Tell el-Farah - opgetrokken zijn?

 

Conclusie: De datering van de Uittocht in de 13e eeuw v. C. is onhoudbaar.

 

Een chronologie op basis van twee Septuagint-teksten

 

Noch de vroege noch de late datering van de Uittocht biedt een oplossing om gegevens uit de Bijbel in overeenstemming te brengen met die van historische bronnen. Hierna zal een chronologie behandeld worden waarbij dat wel mogelijk is.

 

In onze vertalingen van 1 Koningen 6:1 staat dat de bouw van de tempel begon in het vierde regeringsjaar van Salomo, "het 480ste jaar na de Uittocht". In de Septuagint-vertaling staat: "in het 440ste jaar na de Uittocht". Op basis van deze vertaling dateren we de Uittocht in 1401 v. C., de thans gebruikelijke datering van de dood van farao Amenhotep II. Dat de farao na de Uittocht verdronk in de Schelfzee blijkt uit Exodus 14.

 

Als de Uittocht gedateerd wordt in ca. 1401 v. C. bestaat er een verschil van enkele jaren met de 440 jaar van 1 Koningen 6:1 vanwege afronding van het getal.

 

Het jaar van de Uittocht speelt een centrale rol bij het opstellen van een chronologie van de geschiedenis van het volk Israël van Abraham tot David op basis van gegevens in het Oude Testament. Bij een datering van de Uittocht in 1401 v. C. blijkt er in diverse situaties waarover we zowel uit het Oude Testament als uit historische bronnen gegevens hebben, overeenstemming te bestaan.

 

Amenhotep II en de Uittocht

Farao Amenhotep II

 

Er zijn verschillende aanwijzingen dat Amenhotep II de farao was die verdronk in de Schelfzee bij het achtervolgen van de Israëlieten. Amenhotep II was een sterke persoonlijkheid die bekend stond om zijn grote lichamelijke kracht. Hij was een liefhebber van de oorlog, trok aan het hoofd van zijn leger de strijd in en doodde eigenhandig tegenstanders. Hij stond bekend om zijn wreedheid. Duizenden gevangenen liet hij naar Egypte brengen.

 

De mummies van de meeste farao's die in het Dal der Koningen, waar de farao's vanaf ca. 1500 v. C. tot ca. 1100 v. C. begraven werden, gevonden zijn, lagen niet meer in hun eigen sarcofaag. Ze waren in latere tijden door priesters, uit vrees voor grafrovers, naar elders overgebracht. De mummies van Amenhotep II en die van Toetanchamon waren de enige die nog in hun eigen sarcofaag gevonden werden. De boog die Amenhotep II alleen kon spannen, lag in tweeën gezaagd naast zijn lichaam. Uit het onderzoek van de mummie bleek dat Amenhotep II sterk gebouwd was en dat hij stierf in de volle kracht van zijn leven, op de leeftijd van ongeveer 45 jaar. Dit beeld van Amenhotep II is in overeenstemming met de beschrijving die in het boek Exodus gegeven wordt van een farao die Israël wreed onderdrukte en die na de Uittocht zelf het volk Israël met zijn leger achterna trok.

 

In de grafkamer waar de sarcofaag staat waarin de mummie van Amenhotep II in 1898 door Loret gevonden werd, valt op dat daar tot het laatst in haast gewerkt was. De sarcofaag staat in een verdiept gedeelte op enige grof bewerkte steenblokken die in haast neergelegd zijn om een nog dieper gedeelte van de grafkamer, waaraan men nog bezig was, op te vullen.

De grafkamer van farao Amenhotep II met de sarcofaag waarin zijn mummie in 1898 gevonden werd.

 

De treden naar het verdiepte gedeelte zijn niet afgewerkt. De wanden in dat gedeelte zijn niet beschilderd en in ruw bewerkte toestand gebleven. Daardoor valt de grote tegenstelling op met de prachtig beschilderde wanden van het hogere gedeelte van de grafkamer. Het diepere gedeelte draagt nog de sporen van de werklieden.

 

De Egyptenaren, die geloofden in een leven na de dood en daarom veel belang hechtten aan het mummificeren van de doden, zullen het lichaam van Amenhotep II, na zijn verdrinking in de Schelfzee, gevonden en gemummificeerd hebben. De dood van Amenhotep II was niet verwacht, zodat de bouw van zijn graf nog niet voltooid was. Na zijn plotselinge dood was haast geboden met het voltooien van de grafkamer, omdat een begrafenisplechtigheid volgens de regels 70 dagen na de dood moest plaatsvinden.

 

Amenhotep II werd niet opgevolgd door zijn oudste zoon, maar door een jongere zoon, Thoetmoses IV (1401-1391 v. C.). Dat is in overeenstemming met het gegeven in de Bijbel dat de oudste zoon van de farao tijdens de tiende plaag gestorven is (Ex. 12:29).

 

Thoetmoses IV was een jongere zoon van Amenhotep II en diens vrouw Tiaa. Dat is op te maken uit een inscriptie op een stèle gevonden aan de voet van de sfinx van Gizeh. Als prins had Thoetmoses het bevel over de wagenstrijders in Memphis. Na een tocht met zijn wagen sliep hij eens rond het middaguur in de schaduw aan de voet van de grote sfinx, die als een beeld van de zonnegod beschouwd werd. De zonnegod verscheen hem in een droom en vroeg hem de half onder het zand bedolven sfinx te laten uitgraven. Thoetmoses kreeg de belofte dat hij beloond zou worden met de waardigheid van farao, hoewel hij daarvoor niet bestemd was. In zijn eerste regeringsjaar heeft Thoetmoses IV dit verhaal laten vastleggen in een inscriptie op de stèle.

 

Intocht in Kanaän in 1361 v. C.

 

Als de Uittocht plaatsvond in het jaar 1401 v. C., dan dienen we de Intocht van Israël in Kanaän te dateren in 1361 v. C. en de veroveringen van Jozua in de jaren 1361-1354 v. C.. Deze jaren waren de laatste regeringsjaren van farao Amenhotep III, een farao die na zijn vijfde regeringsjaar verder in zijn lange regeerperiode geen veldtochten maakte. In de laatste jaren van zijn regering was de Egyptische invloed in Kanaän gering. Er waren toen slechts weinig Egyptische soldaten in Kanaän, zoals blijkt uit Amarna-brieven afkomstig uit Kanaän. Deze brieven werden tussen ca. 1360 en 1340 v. C. geschreven door vorsten van Kanaänitische steden die bedreigd werden door de Habiroe. Ondanks de herhaalde smeekbeden van de stadsvorsten in hun brieven om boogschutters te sturen, deed Amenhotep III niets.

Een van de Amarna-brieven

 

Dat Egypte tussen ca. 1360-1300 v. C. nauwelijks buiten het eigen grondgebied optrad, blijkt ook uit het feit dat de Egyptische turkoois-mijnen in Serabit el-Khadim, in het westen van de Sinaï, in die tijd niet in gebruik waren. In deze mijnen zijn namelijk van bijna alle farao's van het Nieuwe Rijk, vanaf Ahmoses (ca. 1530 v. C.) tot en met Ramses VI (ca. 1140 v. C.), cartouches te vinden. Ze ontbreken alleen in de tijd van Amenhotep IV tot en met Horemheb, de periode van ca. 1360-1300 v. C., en in de periode van Amenmesse en Ramses Sipta (1200-1188 v. C.).

 

De afwezigheid in Serabit el-Khadim van de cartouches van de farao's die regeerden in de genoemde perioden wijst op zwakte van Egypte, zodat het niet in staat was expedities uit te rusten naar de Sinaï-mijnen. De tijd na 1361 v. C. past dus uitstekend als historische achtergrond van de veldtochten van Jozua in Kanaän.

 

De duur van het verblijf in Egypte: 215 jaar

 

Een belangrijk gegeven voor het vaststellen van de chronologie van de vroegste geschiedenis van het volk Israël is de tijd van het verblijf in Egypte. In onze vertalingen van Exodus 12:40 staat: "De tijd, dat de Isralieten in Egypte gewoond hadden, was 430 jaar."

 

Op grond daarvan zou bij een datering van de Uittocht in 1401 v. C. de komst van Jakob met zijn elf zonen naar Egypte gedateerd moeten worden in 1831 v. C. en de installatie van Jozef als onderkoning in 1840 v. C.. In die tijd regeerde in Egypte farao Amenemhet III (1843-1798 v. C.). Hij zetelde in de stad Itj-towi, meer dan 120 km ten zuiden van de delta, terwijl uit Genesis 45:2 en 10 blijkt dat de toenmalige farao resideerde in het oosten van de delta, dicht bij Gosen en dicht bij de grens van Egypte. De zonen van Jakob kochten hun graan direct nadat ze Egypte binnengetrokken waren en maakten geen onnodige reis van ruim 120 km naar het zuiden.

 

Uit Genesis 45:2 en 10 blijkt dat de residentie toen dicht bij Gosen lag en dus dicht bij de oostgrens. In de tijd van de Hyksosfarao's was Avaris de residentie, in het oosten van de delta. Deze farao's behoorden tot de Semitische bevolking die zich in Egypte had gevestigd. De Hyksosfarao's regeerden het land vanuit Avaris van 1639-1531 v. C.. Het verblijf van Israël in Egypte kan dus niet, zoals in onze vertalingen staat, 430 jaar geduurd hebben, ook niet als men de Uittocht zou dateren in 1445 v. C.. Men moet dan de vestiging van Jakob en zijn familie in Egypte dateren in 1875 v. C. toen Sesostris III (1862-1843 v. C.) regeerde, die ook in Itj-towi resideerde.

 

Volgens de Septuagintvertaling heeft het volk Israël geen 430 jaar in Egypte gewoond. In die vertaling staat in Exodus 12:40 na Egypte: "en in Kanaän". Ook in de Samaritaanse Pentateuch staat na Egypte: "en in Kanaän". De 430 jaren betreffen dan de periode vanaf de belofte aan Abraham, nadat hij in Kanaän was gekomen, tot aan de Uittocht van Israël uit Egypte.

 

De Joodse historicus Flavius Josephus, die leefde in de eerste eeuw na Christus, sloot zich hierbij aan en schreef over de Uittocht van de Israëlieten: "Ze verlieten Egypte in de maand Xanthicus, op de vijftiende dag van de maanmaand, 430 jaar nadat onze voorvader Abraham in Kanaän aankwam en 215 jaar nadat Jakob verhuisde naar Egypte." Xanthicus is de Macedonische naam voor de Israëlitische maand Nisan (aanvankelijk Abib), maart/april.

 

Uit Galaten 3:16-17 blijkt dat ook de apostel Paulus de Septuagintvertaling volgde: "Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad... Ik bedoel dit: de wet, die 430 jaren later is gekomen...". De wet is de wetgeving op Sinaï, die plaatsvond in het jaar van de Uittocht, 430 jaar na de belofte aan Abraham. Paulus ging ervan uit dat er 430 jaren verliepen tussen het sluiten van het verbond met Abraham en het jaar van de Uittocht en de wetgeving op Sinaï.

 

Prof. dr. S. Greijdanus wees erop dat uit Galaten 3:17 blijkt dat er 430 jaren lagen tussen Gods verbond met Abraham en het jaar van de Uittocht:

 

"Zegt Ex. 12:40 dat het wonen van de kinderen Israëls in Egypte zo lang geduurd heeft, vgl. Gen. 15:13, zo kan uit Gen. 15:16, alsmede uit vergelijking van Ex. 6:15, 17, 19 (Hebreeuws: 16, 18, 20) met Numeri 26:59 blijken, dat hierbij gerekend wordt van het ogenblik, waarop de Heere Zijn woord in Gen. 15:13 sprak; zodat de apostel dan ook de tijd tussen het geven Gods van Zijn belofte, Gen. 12:3; 18:18; 22:18, en Zijn verordening van de wet op Sinaï, Ex. 20, op 430 jaar stelt". Greijdanus betrok dus ook de genealogische gegevens in Exodus 6 en Numeri 26 erbij om meer licht te laten schijnen op de teksten Galaten 3:17 en Exodus 12:40. Uit alles is duidelijk dat het verblijf van het volk Israël in Egypte slechts 215 jaar en geen 430 jaar geduurd heeft.

 

Zij die verdedigen dat het verblijf van Israël in Egypte 430 jaar duurde, wijzen meestal op Genesis 15:13 waar staat dat God tegen Abraham zei: "Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, 400 jaar."

 

Het getal 400 is verklaard als een afronding van het aantal jaren van de tijd van de verdrukking in Egypte om zo deze tekst in overeenstemming te brengen met de 430 jaar van Exodus 12:40. Het volk Israël is echter in Egypte geen 400 jaar verdrukt. Tijdens het leven van Jozef stond het volk Israël nog geruime tijd (ongeveer 70 jaar) in aanzien in Egypte. De verdrukking begon pas enige tijd nadat Jozef gestorven was en nadat een farao aan de regering was gekomen die Jozef niet gekend had (Ex. 1:8). Dan blijft er lang geen 400 jaar meer over, gesteld al dat het verblijf in Egypte 430 jaar duurde.

 

De 400 jaar in Genesis 15:13 hebben geen betrekking op de tijd van de verdrukking in Egypte maar op een tijd van vreemdelingschap. Abraham, Isaäk en Jakob waren vreemdelingen "in een land dat het hunne niet was", Kanaän, en hetzelfde gold voor het volk Israël in Egypte. De periode van rond 400 jaar gold voor de nakomelingen van Abraham en begon bij de geboorte van Isaäk, 405 jaar voor de Uittocht uit Egypte. Na de Uittocht is de tijd van vreemdelingschap voor de Israëlieten voorbij.

 

In Genesis 15:16 staat: "Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol." Ook dit bevestigt de juistheid van de Septuagint-vertaling. Een periode van vier generaties is namelijk in overeenstemming met een periode van 215 jaar, maar niet met 430 jaar. Uit de gegevens in het Exodus en Numeri blijkt ook dat het vierde geslacht weer uit Egypte wegtrok. Enkele voorbeelden waarbij iemand van de vierde generatie na die van de zonen van Jakob tot de uit Egypte wegtrekkende Israëlieten blijkt te behoren, zijn: Levi-Kehath-Amram-Aäron-Eleazar: Exodus 6:15-22, Numeri 26:59-61 en 1 Kronieken 23:12. Juda-Perez-Hezron-Ram-Amminadab: Numeri 26:19-21 en 1 Kronieken 2:3-10.

 

De afstamming van Mozes

 

Mozes was een achterkleinzoon van Levi via zijn vader. Uit Exodus 6:15-19, Numeri 26:59 en 1 Kronieken 6:1-3 blijkt dat Mozes via zijn moeder, Jochebed, een kleinzoon van Levi was.

 

In Numeri 26:59 staat: "En de naam van de vrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, die haar moeder aan Levi in Egypte baarde." Prof. W.H. Gispen probeerde onder dit duidelijke gegeven uit te komen door te stellen dat de Amram van Exodus 6:17 een andere was dan die van Exodus 6:19 en dat Numeri 26:59 niet inhoudt dat Levi de vader was van Jochebed, maar dat zij een dochter was van de stam Levi. Zo wordt terwille van het vasthouden aan een duur van het verblijf in Egypte van 430 jaar de grondtekst geweld aangedaan.

 

Volgens prof. U. Cassuto, hoogleraar in het Hebreeuws, blijkt uit het gebruik van het woordje 'de' in de grondtekst dat Jochebed de enige dochter van Levi was. Bovendien staat in Exodus 6:19 dat Jochebed `de tante' was van Mozes' vader Amram, een zoon van Levi's zoon Kehath (Ex. 6:15 en 1 Kon. 6:1). Kehath en zijn twee broers waren in Kanaän geboren (Gen. 46:11). Op hoge leeftijd is Levi hertrouwd met een jonge vrouw die hem nog een dochter baarde in Egypte.

 

De genoemde gegevens zijn alleen in overeenstemming met een verblijf van Israël in Egypte dat 215 jaar duurde. De Uittocht vond plaats in 1401 v. C.., Jakob trok in 1616 v. C. met zijn elf zonen naar Egypte. Jakob trok dus 215 jaar na Gods belofte aan Abraham naar Egypte. Toen Abraham de belofte kreeg, kort na zijn aankomst in Kanaän, was hij 75 jaar oud en toen Isaäk geboren werd - 25 jaar later - was Abraham 100 jaar oud. Toen Isaäk 60 jaar was, werd Jakob geboren. Toen Jakob 130 jaar oud was, trok hij met zijn zonen naar Egypte. Abraham kwam dus in 1831 v. C. in Kanaän aan.

 

drs. J.G. van der Land

 

Laatste update: 16 april 2019