Bestonden er geen steden ten oosten 

van de Jordaan voor ca. 1250 v. Chr.?

​

In Deuteronomium 2:34 lezen we over de steden van het rijk van koning Sihon die door de Israëlieten ingenomen werden, onder andere Hesbon, Dibon en Aroër. Het koninkrijk van Sihon werd in het zuiden begrensd door de Arnon en in het noorden door de Jabbok. In Deuteronomium 3:4 staat dat de Israëlieten onder leiding van Mozes 60 steden innamen in het koninkrijk van koning Og van Basan, dat ten noorden van de Jabbok lag. Dat waren versterkte steden met hoge muren (Deut. 3:5).

​

De conclusie van Nelson Glueck

​

Nelson Glueck kwam na archeologisch onderzoek in het gebied ten oosten van de Jordaan in de jaren dertig, in zijn in 1940 verschenen boek `The other side of the Jordan' tot de conclusie dat de koninkrijken van Sihon en Og niet bestonden voor het eind van de 13e eeuw v. C., omdat tussen ca. 1900 en ca. 1250 v. C. in die gebieden geen steden lagen en er slechts sprake was van een zeer beperkte semi-nomadische bevolking. Het was volgens Glueck in de genoemde periode een gebied waar in tenten wonende nomaden rondtrokken die geen blijvend aardewerk gebruikten, maar vergankelijke huiden om hun voorraden in op te bergen. Deze later geheel onjuist gebleken hypothese bracht velen ertoe het dateren van de Uittocht in de 15e eeuw v. C. los te laten en de late datering te aanvaarden.

​

Glueck publiceerde de resultaten van zijn onderzoeken, die plaatsvonden van 1933 t/m 1938, in de jaren 1934 t/m 1951.1 In de herziene editie van zijn boek, verschenen in 1970, zwakte Glueck zijn beweringen over het bewoningsvacuüm ten oosten van de Jordaan enigszins af. Hij gaf toe dat in sommige delen van dat gebied sprake was van enige stedelijke bewoning gedurende Midden Brons II (ca. 1875-1470 v. C.) en Laat Brons (ca. 1470-1200 v. C.). "In grote delen van Transjordanië, speciaal in de gebieden op enige afstand ten zuiden van de wadi Zerqa (de Jabbok) schijnt de Midden Brons I periode, de tijd van Abraham, gevolgd te zijn door een aanzienlijke teruggang in vaste bewoning gedurende Midden Brons II en Laat Brons I en II, hoewel niet zo radicaal als we eerst aannamen." "Het is natuurlijk mogelijk dat verdere opgravingen daar toch Midden Brons II en Laat Brons plaatsen zullen blootleggen." Glueck vermeldde verder dat een graftombe uit de Laat Brons tijd ontdekt was in Madeba en Laat Brons aardewerk in Jalul, ongeveer 5 km ten oosten van Madeba en op andere plaatsen.2

​

Prof. dr. H.J. Franken leverde in 1971 scherpe kritiek op Gluecks stellingname. Franken leidde opgravingen in Deir ‘Alla, in het Jordaandal, dat gedurende geheel Laat Brons bewoond bleek te zijn. In een artikel stelde Franken dat Glueck bepaald aardewerk identificeerde als afkomstig uit de IJzertijd, terwijl het ook uit de 14e eeuw v. C. afkomstig geweest kan zijn.3

​

In enkele van de Amarna-brieven (ca. 1360-1335 v. C.) wordt de stad Pella ook genoemd, evenals Astaroth, Bozrah, Kenath, die alle in het land van Basan liggen en verder Zaphon, dat ten zuiden van Pella in het Jordaandal ligt. Op grond daarvan had men kunnen weten dat de hypothese van Glueck onjuist was.

​

Opgravingen ten oosten van de Jordaan

​

De resultaten van recente opgravingen in het gebied ten oosten van de Jordaan hebben de conclusie van Glueck volledig weerlegd. Vele nieuwe plaatsen in dat gebied werden onderzocht. Bewijzen van Laat Brons bewoning werden gevonden zowel in noord- als in centraal-Transjordanië, waarbij het bestaan van vrij grote steden, op de plaats van Amman, Sahab, Tell Safut, Tell el-Husn (Pella), Tell Irbid, Tell es-Sa‘idiyeh (waarschijnlijk Zarethan), Tabaqat Fahl en Tell el-Mazar tijdens Laat Brons aan het licht kwam. Uit de opgravingen bleek dat in de Laat Brons vestigingen in het gebied ten oosten van de Jordaan sprake was van eenzelfde cultuur als in steden in Palestina en Fenicië in die periode.4

​

Bij uitvoerige opgravingen in Tell-el-Husn (Pella) bleek dat hier zowel in Laat Brons I (1470-1400 v. C.) als in Laat Brons II (1400-1200 v. C.) sprake was van het bestaan van deze stad (Pehel genoemd).5 Er werden in Amman, Irbid, Pella en Tel-es Sa`idiyeh graven uit Laat Brons gevonden en op vele plaatsen in het gebied ten oosten van de Jordaan werden grote hoeveelheden Laat Brons aardewerk gevonden.6

​

De conclusie van de archeoloog R. Dornemann, een expert op het terrein van de Transjordaanse archeologie, is dan ook dat het archeologisch onderzoek dat plaatsvond sinds de publikaties van Glueck heeft bevestigd dat in Transjordanië gedurende de gehele Midden en Laat Brons Tijd de stedelijke beschaving voortbestond, hoewel het aantal steden mogelijk afnam na de Vroeg Brons Tijd.7

​

De grote hoeveelheid vondsten van aardewerk - onder andere Myceens en Cypriotisch aardewerk die kenmerkend zijn voor Laat Brons - en scarabeeën uit dezelfde tijd maken het onmogelijk te ontkennen dat er gedurende de gehele Laat Brons Tijd steden bestonden in het gebied ten oosten van de Jordaan.

​

De conclusie van Glueck bleek zelfs niet te kloppen ten aanzien van verschillende plaatsen die hij zelf onderzocht had.8 Tijdens een onderzoek in de jaren 1963-1966 werden 18 plaatsen uit Midden Brons II en bijna evenveel uit Laat Brons gevonden. In het gebied ten oosten van de Jordaan is al op ongeveer 200 plaatsen aardewerk uit Midden of Laat Brons opgegraven.9

​

Hesbon

​

Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de preciese plaats van de steden die in Numeri 32 en Deuteronomium 3 genoemd worden in het gebied ten oosten van de Jordaan. Soms lagen vroegere steden niet op de plaats die later de naam draagt. Een voorbeeld daarvan is Hesbon, de hoofdstad van koning Sihon (Deut. 1:4 en Num. 21:26). Er hebben opgravingen plaatsgevonden in Tell Heshban, dat geïdentificeerd is als de stad Hesbon tijdens koning Mesa van Moab (ca. 850 v. C.). Er werd echter geen materiaal gevonden dat dateert van voor 1200 v. C.. In de tijd voor ca. 900 v. C. lag daar slechts een klein, onversterkt landbouwdorp. Pas in de tijd van koning Mesa werd daar een stad gebouwd.10 Ook de aanhangers van de late datering van de Intocht kunnen Tell Heshban niet handhaven als de plaats waar de stad van koning Sihon van Hesbon lag.

​

Prof. S.H. Horn, die de opgravingen in Tell Heshban leidde, was van oordeel dat het Hesbon uit de tijd van koning Sihon niet op de plaats lag van het Hesbon in de tijd van koning Mesa, maar in de buurt ervan. Hij noemde de in de omgeving van Tell Heshban gelegen Tell Jalul, een grote, nog niet opgegraven ruïneheuvel, als de mogelijke plaats van het vroegere Hesbon.11 In Tell Jalul is aan de oppervlakte Midden en Laat Brons aardewerk gevonden.12

​

Dibon

​

Het kwam meermalen voor dat na de verwoesting van een plaats de naam ervan gegeven werd aan een later in de omgeving gebouwde plaats. Ook met Dibon moet dat het geval geweest zijn.

​

Het wordt in Numeri 21:30, 32:3 en 33:45 genoemd als een stad ten oosten van de Jordaan, in de tijd dat de Israëlieten op weg waren naar Kanaän. Uit opgravingen in Tell Dhiban is gebleken dat er tijdens Laat Brons II (ca. 1400-1200 v. C.) en IJzer I (1200-1000 v.C.) op die plaats geen stad bestond. Er bleek in Tell Dhiban niet eerder dan in de 9e eeuw v. C. sprake zijn geweest van bewoning.

​

Uit verschillende Egyptische teksten blijkt echter dat de stad Dibon al tijdens Laat Brons bestond. In een routelijst uit de regeringsperiode van farao Thoetmosis III (ca. 1479-1425 v. C.), op een muur in de tempel van Amon in Karnak, komt Dibon voor.13

​

In een stedenlijst uit de regeringsperiode van Ramses II (1279-1213 v. C.) wordt Qarho genoemd, een andere naam voor Dibon. In de inscriptie op de beroemde Mesa-steen noemt de Moabitische koning Mesa Dibon regelmatig Qarho. Dibon en Qarho worden afwisselend gebruikt als namen voor de stad. Ramses II noemt op zijn topografische lijst de stad Qarho. In een andere inscriptie maakt hij melding van het feit dat hij de stad Dibon liet plunderen tijdens zijn veldtocht in Moab.14

​

Verder wordt Dibon genoemd in een inscriptie op de oostelijke muur van de binnenplaats van de tempel te Luxor. Daarin wordt een verslag gegeven van de veldtocht in het zevende regeringsjaar van Ramses II, onder andere tegen de Moabieten. Dibon wordt in de tekst aangeduid als Tabunu.15

​

Dibon moet in de tijd van de Intocht dus op een andere plaats gelegen hebben dan het Dibon dat gebouwd werd in de tijd van koning Mesa.

​

In een routelijst uit de tijd van Amenhotep III (1391-1353 v. C.) in zijn dodentempel te Soleb wordt de plaatsnaam Hareseth genoemd. Gezien het feit dat het gaat om een route ten oosten van de Dode Zee moet dat Kir-Hareseth, een belangrijke stad in Moab en waarschijnlijk het tegenwoordige Kerak, geweest zijn. Zie over deze routelijsten verder het artikel Dibon en Hebron tijdens de Intocht, in BGA II, 1 (maart 1995).

​

Vrij recent onderzoek heeft dus uitgewezen dat er geen reden is om de Intocht niet in de 14e eeuw v. C. te dateren.

​

drs. J.G. van der Land

​

​

​

NOTEN

​

1. N. Glueck, Explorations in Eastern Palestine, 4 vol., New Haven 1934-1951.

2. N. Glueck, The other side of the Jordan, second edition, Cambridge 1970, p. 140-141.

3. H.J. Franken, Explorations in Eastern Palestine, VT, 21, 1971, p. 119-123.

4. J.A. Sauer, Transjordan in the Bronze and Iron Ages: A critique of Glueck's synthesis, BASOR, 263, 1986, p. 6-9.

5. R.H. Smith, Pella, in: The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land, Jeruzalem 1993, IV, p. 1174-1180.

6. R.H. Dornemann, The archaeology of the Transjordan in the Bronze and Iron Ages, Milwaukee 1983, p. 20.

7. Idem, p. 165.

8. J.R. Kautz, Tracking the Ancient Moabites, BA, 44, 1981, 4, p. 29 en p. 31-33; J.A. Sauer, a.w., p. 3.

9. W.H. Stiebing, Out of the Desert, Archaeology and the Exodus/Conquest narratives, Buffalo 1989, p. 75.

10. L.T. Geraty, Heshbon, in: The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land, Jeruzalem 1993, II, p. 626-630.

11. S.H. Horn, Heshbon, in: The Interpreter's Dictionary of the Bible. Supplementary Volume, Nashville 1976, p. 410-411.

12. R. Ibach, in: L.T. Geraty, Heshbon, Ferrien Springs 1978, p. 215-222.

13. C.R. Krahmalkov, Exodus itinerary confirmed by Egyptian evidence', BAR 20, 1994, 5, p. 56.

14. Idem, p. 57.

15. K.A. Kitchen, Some new light on the Asiatic wars of Ramesses II, JEA, 50, 1964, p. 53-64.

Laatste update: 16  april 2019