Was Ai lang voor de Intocht verwoest?

 

De onjuiste localisering van Ai

 

De meeste archeologen en theologen gaan ervanuit dat de ruim 2 km ten zuidoosten van het huidige Arabische dorp Beitin gelegen ruïneheuvel et-Tell de plaats van het vroegere Ai is. De identificatie van Ai met et-Tell is vrijwel algemeen aanvaard, zodat op vrijwel alle kaarten van Palestina op de plaats van et-Tell Ai aangegeven is.

 

In de jaren 1933 tot 1935 vonden daar onder leiding van Judith Marquet-Krause opgravingen plaats. In 1964, 1966 en 1968-1972 leidde J. Callaway uitgebreide archeologische onderzoeken in et-Tell. Na deze opgravingen staat vast dat op de plaats van et-Tell vanaf ca. 3100 v. C. een vrij grote stad lag die al in ca. 2250 v. C., dus eeuwen voor de Intocht van de Israëlieten, geheel verwoest werd. Aardewerk daterend uit Midden en Laat Brons is in et-Tell niet gevonden. Daaruit blijkt dat de plaats van ca. 2250-1200 v. C. onbewoond was.1

 

Als et-Tell de plaats zou zijn waar Ai lag, zou deze plaats in de tijd van de Intocht al eeuwen lang een puinhoop geweest zijn en niet veroverd zijn door Jozua, terwijl in Jozua 8 uitvoerig verhaald wordt over de verovering van Ai door de Isralieten. Vanaf ca. 1200 tot ca. 1050 v. C. bestond er op de ruïneheuvel et-Tell een Isralitisch dorp, waarvan Vroeg IJzer aardewerk gevonden is. Na ca. 1050 v. C. bleef de plaats voorgoed onbewoond.2

 

De conclusie dat Ai op de plaats van et-Tell lag, is het gevolg van het feit dat Bethel vrijwel algemeen geïdentificeerd wordt met Beitin. Uit Joz. 7:2 en 8:12 blijkt namelijk dat Ai dicht bij Bethel lag. Sommige geleerden gaven als verklaring voor het verhaal in Jozua 8 dat de schrijver van het boek Jozua de verovering van Ai met die van Bethel verward heeft. Een andere hypothese is dat het bestaan van de ruïneheuvel et-Tell aanleiding was tot een volkslegende dat de stad die daar gelegen had door de Israëlieten was verwoest en dat de schrijver van het boek Jozua die legende gebruikte voor een verzonnen verhaal over een verovering van Ai door Jozua.3

 

We geven hierna een samenvatting van een aantal artikelen van dr. D. Livingston waarin werd aangetoond dat de identificatie van Ai met et-Tell en van Bethel met Beitin niet juist is.

Is Beitin wel de plaats van Bethel?

 

De kern van de kwestie of et-Tell wel de plaats van Ai was, is de vraag waar Bethel lag. Als argument voor de stelling dat Bethel lag op de plaats van het huidige Arabische dorp Beitin is onder andere aangevoerd dat de Arabische naam Beitin afgeleid is van Bethel. Taalkundig is dat mogelijk. De letter l in het Hebreeuws wordt in het Arabisch vaak een n, zodat de naam Bethel in het Arabisch Beitin geworden kan zijn. Dat is echter nog geen bewijs dat Bethel ook op de plaats van het huidige Beitin lag. Meermalen is het voorgekomen dat een naam van een plaats gebruikt werd voor een plaats in de omgeving.

 

Ook het archeologisch onderzoek leverde een argument op ten gunste van de identificatie van Beitin met Bethel. In 1934 vonden onder leiding van de Amerikaanse archeoloog W.F. Albright opgravingen plaats in Beitin tijdens welke een verwoestingslaag werd opgegraven. Albright concludeerde dat die laag dateerde uit ca. 1230 v. C. en schreef de verwoesting toe aan de veroveringen van de Israëlieten in de tijd van Jozua.

 

Uit Richteren 1:22-25 blijkt echter dat Bethel, toen nog Luz geheten, pas na de dood van Jozua, geruime tijd na de Intocht dus, door middel van een list in handen van de Efraïmieten kwam. Gezien de wijze waarop Bethel in het bezit van de Israëlieten kwam, is er geen enkele reden om te veronderstellen dat de stad toen verwoest is. Ook in het boek Jozua staat niet dat Bethel tijdens de veldtochten onder leiding van Jozua verwoest werd.

 

De archeoloog B.G. Wood kwam na onderzoek van aardewerk dat in Beitin gevonden werd tot de conclusie dat de opgegraven verwoestingslaag dateert uit de 12e eeuw v. C..4 Het door Albright in Beitin opgegraven aardewerk dateert dus niet uit de tijd van de veroveringen in de tijd van Jozua of die van kort na zijn dood, ook niet als men de late datering voor de Intocht (ca. 1220 v. C.) aanneemt, waarvan we overigens de onhoudbaarheid al meermalen aangetoond hebben.

 

Dr. J. Livingston voerde een reeks van argumenten aan om de identificatie van Bethel met Beitin af te wijzen. Hij publiceerde in 1970 een artikel met als titel: 'The location of Biblical Bethel and Ai reconsidered' (De plaats van van het in de Bijbel genoemde Bethel en Ai heroverwogen).5

 

Livingston wees op een aantal bijbelteksten waaruit blijkt dat Beitin niet de plaats kan zijn waar het vroegere Bethel gelegen heeft.

 

1. Abraham bouwde een altaar op het gebergte ten oosten van Bethel (Gen. 12:8). Ten oosten van Beitin ligt geen gebergte. Ten oosten van de plaats el-Bireh, ongeveer 3 km ten zuiden van Beitin, ligt wel een berg, de Jebel et-Tawil, die 907 meter hoog is.6

 

2. Bethel lag op de grens tussen het gebied van Benjamin en dat van Efraïm (Joz. 16:1-2 en Joz. 18:11-13). De natuurlijke grens ligt echter ten zuiden van Beitin. Als Bethel gelegen heeft op de plaats van het tegenwoordige Beitin, zou de grens tussen de gebieden van de beide stammen juist daar een opmerkelijke uitstulping naar het noorden vertonen. El-Bireh ligt echter precies bij de natuurlijke grens tussen het gebied van Benjamin en dat van Efraïm en komt dus veel meer in aanmerking als de plaats van de grensstad Bethel.7

 

3. Beitin ligt niet aan de hoofdweg naar het noorden, maar aan een zijweg. Het is niet waarschijnlijk dat Jerobeam, die in Bethel een tempel liet bouwen, een tempel opgericht heeft op de plaats waar nu Beitin ligt (1 Kon. 12:29). El-Bireh ligt op een kruispunt van wegen, aan de hoofdweg naar het noorden, en is daarom ook tegenwoordig een levendige stad. Het was een geschikte plaats voor een tempel. Resten van de tempel van Jerobeam zijn in Beitin niet gevonden.8

 

Tegen het eerste punt van Livingstone is als argument in te brengen dat in Gen. 12:8 in de Hebreeuwse grondtekst het woord `har' staat dat ook als bergland vertaald kan worden en niet behoeft te slaan op een bergtop. Abraham had met zijn gevolg in het bergland ten oosten van Bethel en ten westen van Ai een kampeerplaats ingericht. In de buurt ervan bouwde Abraham een altaar voor God (Gen. 12:8).

 

Dat dat altaar op een berg lag, blijkt uit Genesis 13:10. Abraham is jaren later, na zijn terugkeer uit Egypte, samen met Lot, weer bij het altaar dat hij bij Bethel opgericht had (Gen. 13:3-4). Abraham ging "naar de plaats van het altaar dat hij daar vroeger gemaakt had en Abraham riep daar de naam des Heren aan." Bij het altaar keken Lot en Abraham uit over het land Kanaän. "Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was. Voordat de Here Sodom en Gomorra verwoest had, was zij (de Streek) tot Zoar toe als de hof des Heren, als het land Egypte" (Gen. 13:10). Het altaar moet dus op een berg gelegen hebben. Vanaf de Jebel et-Tawil kan men het noordelijk deel van de Dode Zee zien, een afstand van ca. 35 km.9 Tussen Beitin en et-Tell ligt geen hoogte vanwaar men het noordelijk deel van de Dode Zee kan zien. Gezien dit alles is Gen. 13:10 een aanwijzing dat de berg waarop Abraham en Lot stonden de Jebel et-Tawil was. Bethel moet dan op de plaats van het huidige el-Bireh gelegen hebben.

 

De Streek was de aanduiding voor het zuidelijk deel van het Jordaandal tot aan de monding van de Jordaan in de Dode Zee (zie ook Gen. 19:17, 25 en 29). In de Streek, een vruchtbaar gebied, lagen onder andere Sodom en Gomorra.10 De Streek ligt in een uiterst aardbevingsgevoelig gebied en is in de tijd van Abraham ten gevolge van een aardbevingsramp verzonken en vormt thans het noordelijk deel van de Dode Zee. In het reisverslag van Theodosius, geschreven in het jaar 570, worden de resten van Sodom en Gomorra ten zuiden van Jericho gelokaliseerd.11

 

Reisverslagen

 

Livingston gaf verder citaten uit enkele reisverslagen die duidelijke argumenten leveren tegen de identificatie van Beitin met Bethel. Hij maakte ook studie van berichten over vondsten van Romeinse mijlstenen in Palestina. Op deze mijlstenen werd steeds de afstand van Jeruzalem vermeld. In het vervolg gaat het steeds om mijlstenen op de weg vanaf Jeruzalem naar het noorden.

 

De Palestina-reiziger Cunningham Geikie schreef in zijn in 1888 verschenen boek `The Holy Land and the Bible', deel II, dat hij twee Romeinse mijlstenen bij Rama had gezien, die nog op hun oorspronkelijke plaatsen stonden, toen hij vanuit Jeruzalem naar Rama reisde.

 

De vijfde mijlsteen met het nog leesbare opschrift "vijf mijl vanaf Aelia" erop, werd gevonden langs de hoofdweg op ruim een mijl ten zuiden van Rama. Aelia is de korte naam voor Colonia Aelia Capitolina, de naam die de Romeinen gaven aan de door hen na de Bar Kochba-opstand (132 tot 135 na Chr.) herbouwde stad Jeruzalem. De zesde mijlsteen moet dus dicht bij Rama gestaan hebben.12

 

De kerkvader Hiëronymus schreef in zijn commentaar op het boek Hosea dat Rama bij de zevende Romeinse mijlsteen lag. Rama moet dus gelegen hebben tussen de zesde en de zevende mijlsteen. Daar Rama ongeveer op de helft tussen Jeruzalem en el-Bireh lag, moet de Romeinse mijlsteen met het opschrift "12 mijl vanaf Aelia" bij el-Bireh gelegen hebben.

 

De genoemde gegevens zijn geheel in overeenstemming met wat bisschop Eusebius, die leefde van 269-339 na Chr., schreef in zijn Onomasticon, een beschrijving van plaatsen in Palestina, over "Rama, in het gebied van de stam Benjamin, bij de zesde mijlsteen vanaf Aelia".13

 

Rama lag op enige afstand ten oosten van de weg vanaf Jeruzalem, naar het noorden. Er waren twee zijwegen naar Rama, met afslagen respectievelijk ten noorden en ten zuiden van de stad. Bij de zuidelijke toegangsweg stond de zesde mijlsteen en bij de noordelijke de zevende.

 

Eusebius vermeldt in zijn Onomasticon dat Bethel 12 mijl ten noorden van Jeruzalem ligt. Beitin ligt 14 mijl ten noorden van Jeruzalem. Het ruim 3 km zuidelijker gelegen el-Bireh ligt 12 mijl vanaf Jeruzalem en moet dus de plaats zijn van het vroegere Bethel.14

 

Al

 

Als argument om et-Tell te beschouwen als de plaats van Ai is aangevoerd dat de Arabische naam et-Tell identiek zou zijn met het Hebreeuwse 'ha-`Ai', wat ruïne zou betekenen. Deze gelijkstelling wordt echter sterk betwijfeld. Volgens A. Zevi is er helemaal geen etymologisch verband tussen `ha `Ai' en het woord dat ruïne betekent. Ha `Ai werd uitgesproken als ghay en het Hebreeuwse woord voor ruïne is '`iy'. In de Septuagint is de naam van Ai: Aggai. Dat versterkt de stelling over de uitspraak van de naam. Er is dus geen enkel verband tussen de beide Hebreeuwse woorden.15 Bovendien wordt het argument erg verzwakt door het feit dat er minstens tien plaatsen in Palestina zijn met de naam et-Tell.16

 

Er zijn ook teksten in de Bijbel te noemen waaruit blijkt dat et-Tell niet de plaats van Ai geweest kan zijn. Ten noorden van Ai ligt volgens Jozua 8:11 een dal, terwijl ten noorden van et-Tell geen dal ligt.

 

Uit de opgravingen in et-Tell is gebleken dat het Israëlitische dorp dat in ca. 1200 v. C. gesticht werd op de ruïneheuvel et-Tell na ca. 1050 v. C. nooit meer bewoond is geweest. In de tijd voor de Babylonische ballingschap, die begon in 587 v. C., was Ai echter bewoond. Onder de ballingen die terugkeerden uit de ballingschap (ca. 538 v. C.) waren namelijk ook mannen afkomstig uit Ai (Ezra 2:28 en Neh. 7:32). In de dagen van Nehemia (ca. 445 v. C.) was Ai ook weer bewoond (Neh. 11:31). In die tijd was et-Tell al vele eeuwen geen bewoonde plaats meer. Alleen al vanwege deze duidelijke gegevens in de Bijbel kan et-Tell niet de plaats van Ai geweest zijn.

 

Reactie

 

Prof. dr. A.S. Rainey reageerde op de publikatie van Livingston in een artikel met als kop: 'Bethel is still Beitin'. Eerst wees hij erop dat taalkundig gezien de naam Bethel in het Arabisch Beitin geworden kan zijn. We wezen er al op dat dit geen bewijsvoering voor de lokalisering van een plaats is.

 

Vervolgens merkte hij op dat Bethel volgens de gegevens in de Bijbel een belangrijke plaats ten noorden van Jeruzalem was die al in de tijd van de aartsvaders (Midden Brons) en tijdens de Intocht (Laat Brons) bestaan moet hebben. Rainey wees erop dat Beitin één van de weinige plaatsen ten noorden van Jeruzalem is die aan deze voorwaarden voldoet.17 Rainey vermeldt niet dat in el-Bireh nog geen opgravingen plaatsvonden hebben, zodat zijn conclusie voorbarig is. Bovendien is bij oppervlakteonderzoek in el-Bireh gebleken dat deze plaats bijna in alle perioden bewoond was. El-Bireh kan dus archeologisch gezien zeker de plaats van Bethel geweest kan zijn.18

 

Rainey ging ook in op de opmerking van Livingston over de ligging van Beitin terzijde van de hoofdweg. Hij gaf toe dat een verbinding met een hoofdweg belangrijk is voor een stad in de oudheid, maar stelt dat nabijheid ervan een ander punt is. Het was uit oogpunt van veiligheid beter voor een stad om op enige afstand van de hoofdweg te liggen. Hij wijst op Jeruzalem, Gezer en Megiddo die ook niet aan de hoofdweg liggen.19

 

Volgens Rainey werd de afstand die vermeld werd op een Romeinse mijlsteen in Palestina gemeten vanaf het voetstuk van een standbeeld dat stond aan de binnenzijde van de Damascuspoort, in de noordelijke muur van het toenmalige Jeruzalem. In dat geval zou de afstand van 12 Romeinse mijlen naar Bethel in overeenstemming zijn met de opgave van Eusebius, als de mijlsteen gestaan zou hebben bij de afslag van de hoofdweg naar Bethel.20

 

Het 0-meetpunt is bij de Damascuspoort afgebeeld op de Madebakaart, een kaart van Palestina en de omringende gebieden, bestaande uit mozaïeksteentjes aangebracht op de vloer van een Byzantijnse kerk in Madeba, in Transjordanië. Deze kaart werd vervaardigd in de zesde eeuw na Chr. en ontdekt in 1884.

Kaart van de wegen vanaf Jeruzalem naar het noorden. De plaatsen van de Romeinse mijlpalen 

zijn met cijfers aangegeven. RMS: een plaats waar in 1883 nog een Romeinse mijlsteen stond.

 

Op de Madebakaart zijn Gibeon en Rama dichtbij elkaar aangegeven, terwijl tussen Gibeon en Rama enerzijds en Bethel en de in de buurt ervan gelegen plaatsen enige afstand bestaat. Dat pleit volgens Rainey ook voor de identificatie van Bethel met Beitin.21 De Madeba-kaart is echter niet steeds precies op de juiste schaal vervaardigd en niet altijd een juiste weergave van de precieze lokaties. Er zijn nogal wat onjuistheden aan te wijzen op de kaart, onder andere wat het verloop van beken in Transjordanië betreft en met name in het gedeelte waarop de Nijldelta is afgebeeld.22

 

In zijn reactie op de opmerkingen van Rainey met als titel `Traditional site of Bethel questioned' merkte Livingston op dat Rainey geen opgravingsresultaten kan noemen die bewijzen dat Beitin de plaats is van Bethel. Beitin voldoet alleen aan enige voorwaarden wat betreft de perioden dat de stad bestaan moet hebben. Dat er veel aardewerk uit Midden Brons en Laat Brons gevonden is in Beitin, wil niet zeggen dat het niet ook in el-Bireh te vinden is als daar opgravingen plaatsvinden. Albright heeft zelf toegegeven dat er geen onafhankelijk bewijs bestaat dat Beitin de plaats van Bethel is. Argumenten ontleend aan de huidige archeologische vondsten in Beitin moeten dan ook buiten de discussie blijven.23

 

Volgens Livingston kan de mijlsteen bij Bethel niet ergens in de buurt van de stad gestaan hebben. Als bij andere plaatsen de afstand vanaf Jeruzalem wordt genoemd, is het Griekse voorzetsel `apo' gebruikt dat vertaald kan worden als: op een afstand van zoveel mijlen neemt men de afslag naar. Bij Bethel wordt echter een voorzetsel genoemd dat dichtbij betekent. De afstand van Bethel naar Jeruzalem wordt ook steeds met 12 mijl aangegeven, of men nu uit het noorden of uit het zuiden kwam. De mijlsteen moet dus dicht bij Bethel gestaan hebben.24

 

Beginpunt meting afstanden vanaf Jeruzalem

 

Livingston wees erop dat de milliarium aureum (de gouden mijlsteen, het 0-mijl-punt) gestaan moet hebben in het centrum van Jeruzalem bij de tempel van Zeus of bij de tempel van Venus. Ook in Rome stond de 0-mijlsteen in het midden van de stad. De derde mijlsteen werd gevonden bij Shafat, wat betekende dat de eerste mijlsteen niet ver buiten de Damascuspoort stond, zodat ook daaruit blijkt dat de eerste mijlsteen in het centrum van Jeruzalem stond. Vanaf het centrum van Jeruzalem is het precies 12 mijl naar het centrum van el-Bireh.25

 

Livingston ontkent dat de milliarium aureum (het 0-punt) zich bevond aan de binnenzijde van de Damascuspoort. Hij merkt op dat de archeologen Vincent en Clermont-Ganneau de derde mijlsteen bij de plaats Safat vonden en dat ze op grond daarvan concludeerden dat de milliarium aureum niet bij de Damascuspoort gestaan kan hebben. Als men de afstanden op een kaart aangeeft komt men voor het 0-punt namelijk terecht in het centrum van het toenmalige Jeruzalem.

 

Mijlstenen hadden een hoogte van ca. 2,5 meter en aan de bovenkant waren ze ongeveer half zo groot als aan de onderkant. De pilaar die op de Madebakaart getekend werd bij de Damascuspoort heeft niet die vorm en kan volgens Livingstone niet als de milliarium aureum bedoeld zijn.

 

Bij de twee toegangswegen tot Rama, respectievelijk de noordelijke en de zuidelijke stonden de mijlstenen 6 en 7. Rama ligt op namelijk op enige afstand van de hoofdweg. De afstand van de Damascuspoort tot een punt aan de weg tegen Rama is slechts 5,5 Romeinse mijl. Als het 0-mijlpunt in het centrum van Jeruzalem was, wat ook in Rome het geval was, dan was de afstand tot het punt bij Rama zes en een halve mijl, precies de afstand tussen de zesde en de zevende mijlsteen. De afstand vandaar naar el-Bireh is ca. 5,5 Romeinse mijl. Dat betekent dat de zesde mijlsteen vlak bij el-Bireh heeft gestaan.26

 

Nieuwe gegevens over de plaats van Bethel

 

In 1994 publiceerde Livingston resultaten van nieuw onderzoek over de ligging van Bethel. In een verslag van een reis naar het Heilige Land, geciteerd door Meron Benvenisti in `The Crusaders in the Holy Land' (1970), identificeerde een onbekende reiziger Bethel met el-Bireh. Hij schreef namelijk: Mahomerie heette eerst Luza en daarna Bethel". De Grote Mahomerie lag op de plaats van het huidige el-Bireh en was een vesting met een kerk die door de kruisvaarders gebouwd was op de ruïnes van een islamitisch heiligdom dat in verval geraakt was. Vandaar de naam Mahomerie. De resten van een kruisvaarderskerk in el-Bireh zijn kortgeleden opgegraven. Verder schreef de Duitse monnik Burchard in de 13e eeuw dat Bethel bij Ramallah lag. El-Bireh ligt vlak bij Ramallah.27

 

In het `Reisverslag van de pelgrim van Bordeaux' (uit het jaar 333) staat: "28 mijl van daar (Nabloes) aan de linker kant van de weg naar Jeruzalem ligt het dorp Bethar en een mijl vandaar is de plaats waar Jacob sliep tijdens zijn tocht naar Mesopotamië. Jeruzalem ligt 12 mijl verder."28

 

J. Wilkinson, die dit reisverslag redigeerde voor publikatie, stelde Bethar gelijk aan Bethaun of Beth-aven, genoemd in Jozua 7:2 en 18:12. Als el-Bireh Bethel is, dan is het volgende dorp Beitin. Dat laatste dorp was in de tijd van de pelgrim van Bordeaux blijkbaar bekend als Bethar, mogelijk het vroegere Beth-aven. Taalkundig kan de naam Beitin zich ontwikkeld hebben uit Bethar. Als Beitin echter de plaats van Bethel zou zijn, kan geen dorp dat iets noordelijker ligt aangewezen worden dat gelijk te stellen is met Bethar. Livingston komt dan ook tot de conclusie dat er geen enkele reden is om de gelijkstelling van Beitin met Bethel te handhaven.

 

Ook nog in de tijd van de kruisvaarders (1099-ca. 1250) werd Bethel geïdentificeerd met Mahomeria, een kruisvaardersvesting op de plaats van el-Bireh. In een gedetailleerde beschrijving van de kerkelijke indeling van Palestina in de tijd van de kruisvaarders wordt vermeld dat "het grote Mahomeria, Birra (el-Bireh)" behoorde tot het kroongebied van Jeruzalem. Vermeld wordt verder dat Birra/Mahomeria stadsrecht kreeg en op een middelpunt van wegen lag (Regesta regni Hiero Solymitani, 74).29 Islamitische Arabieren hadden in el-Bireh een heiligdom opgericht dat ze naar Mohammed Mahomeria noemden.

 

De Duitse monnik Burchard die in de dertiende eeuw door Palestina reisde stelde dat Bethel dicht lag bij Ramallah, dat grenst aan el-Bireh.30

 

Nog in de dertiende eeuw werd Bethel dus gelokaliseerd in el-Bireh. Het Arabische dorp Beitin werd pas in de 19e eeuw gesticht.31 Al zou de naam Beitin ontleend zou zijn aan Bethel, dan staat daartegenover een zeer lange traditie dat el-Bireh de plaats van Bethel was. In Beitin bestond geen doorlopende plaatselijke traditie, omdat deze plaats gedurende ca. 1200 jaar onbewoond was.

 

Ai bewoond na de ballingschap

 

Uit Ezra 2:28 en Nehemia 7:32 en 11:31 blijkt dat Ai na de Babylonische ballingschapi ook weer bewoond was. In die tijd was et-Tell onbewoond. De vraag kan rijzen of de inwoners van Bethel en Ai wel betrokken waren bij die Ballingschap, omdat beide plaatsen lange tijd behoorden tot het grondgebied van het noordelijk koninkrijk Israël.

 

Koning Josia van Juda (641-609 v. C.) liet de tempel van Bethel verwoesten (2 Kon. 23:15-20) en lijfde het gebied rondom Bethel in bij Juda.32 Bethel en het er dichtbij gelegen Ai behoorden dus in de tijd van Josia en ook na de Babylonische Ballingschap tot Juda. Zowel uit Ezra 2:28 als uit Nehemia 11:32 blijkt dat beide plaatsen kort voor en na de Babylonische Ballingschap bewoond waren.

 

Ai ligt bij Beth-Aven

 

Een duidelijke aanwijzing dat Khirbet Nisya, ten zuidoosten van de Jebel et-Tawil, de plaats van Ai was, is de vermelding in Jozua 7:2 dat Ai bij Beth-Aven ligt. Z. Kallai-Kleinmann lokaliseerde Beth-Aven in Tell-Maryam, dat ten zuid-oosten van Khirbet Nisya ligt.33 In Jozua 18:12-13 staat dat de noordgrens van het gebied van Benjamin (samenvallend met een natuurlijke grens) van Jericho via "de woestijn van Beth-Aven" naar Luz (Bethel) en dus door de wadi Soeweinit liep.

Dat Beth-Aven op de plaats van Tell-Maryam lag, blijkt ook uit 1 Sam. 14:23. De daar beschreven strijd met de Filistijnen begon in de wadi Soeweinit tussen Geba en Michmas (1 Sam. 13:16 en 1 Sam. 14:5) en "strekte zich uit tot voorbij Beth-Aven" (1 Sam. 14:23). Beth-Aven moet dus dichtbij Michmas en Geba gelegen hebben. Khirbet Nisya ligt "dichtbij de woestijn van Beth-Aven". Via deze woestijn liep de natuurlijke grens naar Bethel. Een en ander is een sterke aanwijzing voor het identificeren van Khirbet Nisya met Ai.

 

Andere plaats voor Ai

 

De 2 km ten zuidoosten van el-Bireh gelegen ruïneheuvel Khirbet Nisya is volgens Livingston, daarin gesteund door prof. dr. J.J. Bimson, mogelijk het vroegere Ai. Er ligt ten noorden van Khirbet Nisya een groot dal. Ten zuiden van Khirbet Nisya ligt de wadi Soeweinit die afdaalt naar Jericho.34 Er zijn bij opgravingen in Khirbet Nisya in 1979, 1981, 1982 en 1984 overblijfselen gevonden uit Midden Brons en uit de Perzische tijd. Dat laatste is in overeenstemming met de situatie die blijkt uit Ezra 2:28 en Nehemia 11:31.35 Bij latere opgravingen werden ook aardewerk en door mensen gemaakte voorwerpen gevonden daterend uit Laat Brons, tijdens welke de Intocht plaatsvond, en IJzer II, de tijd voor de Babylonische ballingschap, toen Ai ook bestaan moet hebben. Ook de terreinomstandigheden in de omgeving van Khirbet Nisya voldoen tot in détails aan het verslag van de situatie rond Ai in Jozua 8.36

 

drs. J.G. van der Land

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NOTEN

​

1. J. Callaway, Excavating Ai (et-Tell): 1964-1972, BA, 39, 1976, 2, p. 18-20.

2. Z. Zevit, The problem of Ai, BAR, 12, 1985, 2, p. 58.

3. Idem, p. 67.

4. B.G. Wood, Palestinian pottery of the Late Bronze Age, an investigation of the terminal LB II B phase, Toronto 1985, p. 468-472.

5. D. Livingston, The location of Biblical Bethel and Ai reconsidered, The Westminster Theological Journal, 33, 1970, p. 20-44.

6. Idem, p. 43.

7. Idem, p. 38.

8. Idem, p. 41-43.

9. D. Livingston, The location of Biblical Bethel and Ai reconsidered, The Westminster Theological Journal 33, 1970, p. 43. 

10. M.J. Mulder, Sodom en Gomorra, een verhaal van Dode Zee steden, Kampen 188, p. 11.

11. Idem, p. 17-18.

12. Idem, p. 43.

13. Idem, p. 49.

14. p. 34-35.

15. Z. Zevit, a.w., p. 62.

16. Simons, a.w., p. 157.

17. A.F. Rainey, Bethel is still Beitin, The Westminster Theological Journal, 33, 1971, p. 178.

18. D. Livingston, One last word on Bethel and Ai. Fairness requires no more, BAR 16, 1989, 1, p. 11. 

19. Idem, p. 181.

20. Idem, p. 184-186.

21. Idem, p. 186-187.

22. H. Donner, The mosaic map of Madaba, Kampen 1992, p. 36-37, 80.

23. D. Livingston, Traditional site of Bethel questioned, Westminster Theological Journal, 34, 1971, p. 42.

24. Idem, p. 45-47.

25. Idem, p. 48.

26. Idem, p. 48-49.

27. D. Livingston, Further considerations on the location of Bethel at el-Bireh, PEQ, 126, 2, 1994, p. 157.

28. Idem, p. 158.

29. G. Beijer, Die Kreuzfahrergebiete von Jerusalem und S. Abraham (Hebron), ZDPV 65, 1942, p. 198.

30. D. Livingston, Further considerations on the location of Bethel at el-Bireh, PEQ 126, 1994, p. 158.

31. J.L. Kelso, Excavations at Bethel, BA 19, 1956, 2, p. 43.

32. J. Maxwell Miller and J.H. Hayes, A history of ancient Israel and Judah, Philadelphia 1986, p. 401.

33. Z. Kallai-Kleinmann, Notes on the topography of Benjamin, IEJ 6, 1956, p. 183.

34. J.J. Bimson and D. Livingston, a.w., p. 48.

35. J.J. Bimson, Is et-Tell the site of Ai?, BAR, 11, 1985, 5, p. 78-79.

36. Livingston,'Further considerations', a.w., p. 159.

Laatste update: 16  april 2019